Het eeuwige en het ogenblik


Wie intens luistert naar de stilte, hoort uiteindelijk zichzelf. In Alles komt terug, de nieuwe poëziebundel van Antoon Van den Braembussche (1946), spelen de appreciatie, acceptatie en betekenis van stilte een belangrijke rol. De dichter spreidt zijn stilte voor ons uit in sober vormgegeven verzen. Het zijn ingetogen gewaarwordingen die ons iets toefluisteren over een hoogst persoonlijke ervaring van innerlijke rust.
In stil besef verschijnen de Perzische dichter/filosoof Rumi (1207 – 1273), de symmetrie van de dans en de cirkelgang van het bestaan (alles herhaalt zich voortdurend).
De eigen kleuring die Van den Braembussche aan zijn kernervaring geeft, is interessant. Temeer omdat hij weinig woorden gebruikt. Sinds zijn vorige bundel Het uur van de wolf (2014) heeft hij wat dat betreft een ontwikkeling doorgemaakt.

Er is regen, misschien wel sneeuw op komst.
Zo zei je. Alsof je iets anders wilde zeggen.

Iets dat vanuit de diepte kwam.
Nergens meer thuishoorde.

Je wist hoezeer ik van je hield. En toch
keek je strak de andere kant uit.

De bomen zwegen aan de horizon.
Boven de maïsvelden hing ijl de mist.

Vooral als de dichter twijfelt, of als zijn waarneming prikkelend verontrust, zindert het gedicht na. De ervaring van het onvolmaakte is nu eenmaal goed aan de mens besteed. Terwijl het sublieme, het volmaakt serene, zich in de realiteit over het algemeen laat kennen als onbestaanbaar.
De ondertitel van de bundel, Over “de eeuwige terugkeer van  het gelijke”, draagt iets  onbevredigends (en daarmee iets intrigerends) in zich. Irritant toch, het onontkoombare besef dat uiteindelijk niets bestendig verandert.

Ik zwijg.

In bloemen van verdriet
kweek ik de illusie
anders te kunnen zijn.

Maar wat ik beleef,
zal ik nog eens beleven.

En nog eens.
Tot in het oneindige.

De staart-eter (Ouroboros) uit een van de gedichten is van oudsher een zeer krachtig beeld: een slang die in zijn eigen staart hapt. Het versterkt in deze bundel de unheimische wisselwerking tussen het volmaakte van de cirkelgang en het beknellende van onontkoombaarheid. Het is goed dat Van den Braembussche zijn meditatieve poëzie deze dubbelheid meegaf.

De klemhaken van mijn  geest
zijn één en al metaalmoeheid.
Geen verleden.
Geen toekomst.

Niet langer schipperend
tussen winst en verlies,
ben ik het broze ogenblik.

De bundel levert stof tot nadenken: het Nietzscheaanse idee van de eenheid van alles, met het fenomeen ‘tijd’ als de ruimte waarin de eeuwige herhaling plaatsvindt, maakt tegelijk de bijzondere waarde van het nu duidelijk. Alleen ‘het broze ogenblik’ bestaat. Onze kleine hersentjes moeten het allemaal maar zien te bevatten (Nietzsche werd gek). Misschien dat juist de poëzie geschikt is om uit al deze overdenkingen een voorlopig verslag te extraheren. Een verslag waarin poëtische krachten de taal zo buiten de geijkte paden brengen dat het eeuwige, het ogenblik en de stilte als gelijke waarden gestalte krijgen.
Alles komt terug is een intrigerende poging daartoe.
 
Afdalen in de stilte en zeggen
wat al vanouds onzegbaar was.

Alles komt terug, Antoon Van den Braembussche, Uitgeverij P, Leuven, 2018, ISBN 978-94-92339-53-9

(Erick Kila)

In de dieperik


Sebastien Crusener is een geluidenboetseerder uit Gent. Dat is het enige wat het internet over hem prijsgeeft. Op YouTube trof ik enkele van zijn soundscape-achtige producties aan en verder ontbreken personalia, duidelijke portretfoto’s en verhelderende bio’s.
Met Alle remslaap los! is er nu opeens Cruseners poëziedebuut. Een bundel die afwijkt van het gangbare en die niet zo eenvoudig onder een hoedje te vangen is.
De dichter verantwoordt zijn koortsdroomachtige taalcomposities op de laatste pagina: In de herfst en winter van 2016 werd ik gekweld door onrustige slaap en doodsdrift en gebruikte te veel angstremmende medicijnen. Als ik ‘s nachts wakker schrok noteerde ik de eerste opkomende gedachte op een memovelletje. Uit al deze velletjes stelde ik maanden later deze bundel samen.
Je kunt je afvragen waarom Crusener zijn nachtelijke notities tot poëzie bevorderde. Hadden zijn aantekeningen in eerste instantie louter een therapeutisch bepaalde reden?
De lezer moet het met een karige toelichting doen en ‘luistert’ daarom maar naar de geselecteerde notities, die een zekere poëtische vorm en gloed blijken te bezitten.

Mondhoeken gaan de dieperik in
Irissen verkouden
Zoektocht door de spleten van de ogen
wereld sijpelt binnen: neuzen, blikken, tongen
Vol betekenisdrift
Vol volheidsjicht …
… ik droom het leven van de droom,
(…)

De ‘dieperik’ komt ook nog in een andere genoteerde nachtgedachte voor. Het is een zelf gefabriekt substantief dat als het ware de substantie van het naar de diepte tollende zwart van onrustgedachten zichtbaar maakt. In deze reeks gedichten is het leven bijna alleen aanwezig als een ziekteverzuim. Er is een zweem van herinnerde liefde en af en toe een vleugje werkelijkheid (de kat die even doordringt tot het rusteloze domein van de remslaap). Waarom kiest Crusener voor zo’n slaaplandschap zonder uitweg, zonder aanlegsteiger naar het gewone leven? De gedichten zijn interessant en sober, maar ze blijven te veel steken in de schemer en ontberen daardoor een contrast met de realiteit buiten de halfverdoving.

Steeds nog de geur van muur
de vensterzwachtels

Verder dan het matte schilderij
wil ik niet gaan

Oren smaken erdoor naar kurk
en ogen schutten
(…)

Bij het beluisteren van de soundscapes van de Gentenaar bekruipt mij een zelfde gevoel van gemis. Minimal music (woord of alleen ‘geluid’) kan bezweren, kan een sfeer oproepen, maar gaat vooral een functie krijgen in een contrastplaatsing. De leegte, de tuimeling in donkerte of in niets heeft weliswaar een koude esthetiek van zichzelf, maar dat is niet genoeg voor een poëtische pijn- en/of genotservaring.

Geraak weer eens een stap vooruit
nacht tevergeefs – woensdag –
het wemelt van de poeder,
nevel die het hospitaalgestel
de klok rond om de as doet struikelen

Het werkelijke heeft het veel te koud,

de ruimte erom rond
wordt ingenomen door een leegte
die te vol is van zichzelf
(…)

Zo is het maar net. Dit intrigerende debuut laat ‘het werkelijke’ te veel in de kou staan en gaat daardoor niet echt door merg en been.

Alle remslaap los!, Sebastien Crusener, Uitgeverij Stanza, Leeuwarden, 2017, ISBN 978-94-90401-37-5

(Erick Kila)

De beste aller tijden


Hans Plomp pronkt in blitse outfit op de achterflap als dichter, mysticus en levenskunstenaar. Hij maakte deel uit van de anarchistische provobeweging, die in 1965 ontstond in Nederland en de gevestigde orde provoceerde met ludieke happenings. Ook de betreurde dichter Herman J. Claeys (1935–2009) maakte deel uit van de beweging en richtte in 1966 het Vlaams provotijdschrift Revo op. Na twee jaar werd Provo opgeheven.
Hans Plomp debuteerde in 1968 met De ondertrouw. Een somber herenboek, een roman over zijn vriendschap met Gerard Reve en Johan Polak. In 1970 verscheen Het Amsterdams dodenboekje en - samen met kompanen Peter Andriesse, Heere Heeresma en George Kool - Manifest van de jaren zeventig, waarin de heren zich afzetten tegen de experimentele literatuur die toen aardig scoorde, wat duidelijk zijn sporen nalaat in de rechttoe rechtaan poëzie van Hans Plomp, zowel in zijn vroege periode, als daarna in zijn meer surrealistisch, erotisch en  spiritueel werk.
Plomp verzette zich met collega-schrijver Gerben Hellinga in 1973 tegen de sloop van het dorp Ruigoord, thans een kunstenaarsgemeenschap, waar hij o.a. het literaire festival Vurige Tongen organiseert.
Dit is de beste aller tijden is een ruime bloemlezing uit het poëtische oeuvre van Plomp. Tevens is er een selectie van zijn vertalingen van gedichten van o.a. Yvan en Claire Goll, Samuel Taylor Coleridge, T. S. Eliot en Artur Rimbaud opgenomen en - beslist even interessant - poëzie uit India en Iran.
De levensschets van Peter de Rijk, in de vorm van een monoloog van Plomp zelf, geeft een goed beeld van het sprankelend en turbulent leven van de dichter, die stelt deze behoorlijk afschuwelijke tijd toch te ervaren als de beste aller tijden en er dit relativerend gedicht Een mensenleven aan vastknoopt:
Veel gedaan in dit bestaan
hete kastanjes
uit het vuur gehaald,
met stille trom vertrokken,
hazenpad ontdekt,
een handvol
schoenveters gebroken,
vierduizend pukkels uitgeknepen,
tienduizend liter bier gedronken,
zo'n twintigduizend liter thee en koffie,
een keer of negenduizend klaargekomen,
driemaal een blinde helpen oversteken
– al spartelden ze heftig tegen.

Een pluim voor samensteller Peter de Rijk, die al eerder een bloemlezing van Rogi Wieg bezorgde, Even zuiver als de ongeschreven brief (2015), gevolgd door In de kring van menselijke warmte. Hommage aan Rogi Wieg (2017), met meer dan 100 gedichten van voormalige uitgevers, vrienden en collega’s van Rogi Wieg.

Vier het leven vermeldt de website van Plomp. Optimisme alom - niet toevallig lezen we in het openingsgedicht:

Geen woord dat ik niet zeggen kan
geen boek dat ik niet lezen mag
geen god of duivel opgelegd,
geen honger en geen marteling
geen vijand en geen oorlog
geen huwelijk
en geen verplichte voortplanting
geen armoe en geen rijkdom.
Dit is de beste aller tijden,
maar bijna niemand weet het.


Dit is de beste aller tijden, een bloemlezing uit vijftig jaar dichtwerk, samengesteld en van een levensschets voorzien door Peter de Rijk, Hans Plomp, Uitgeverij In de Knipscheer, Haarlem, 2017, ISBN 978 90 6265 915 9. 

(Roger Nupie)

Vermoeden van licht


Het is vele jaren lang heel stil gebleven rond de figuur van Richard Foqué. Dat is te zeggen: rond de díchter Richard Foqué. Zijn eerste literair werk dateert van een hele tijd terug namelijk 1967, maar sedert de jaren zeventig kroop al ’s mans energie in zijn loopbaan als architect en hoogleraar. De laatste jaren echter is hij opnieuw actief in de poëzie. Als een heuse Phoenix is hij uit de dichterlijke as verrezen en legt hij opnieuw zijn ei. Zelfs in Parijs is men gaan inzien dat deze dichter aandacht verdient. Zijn bundel Hier staan wij verscheen daar namelijk in een vertaling van Pierre-Jean Brassac als Ici nous sommes. Ga maar eens naar de website van uitgeverij L’Harmattan..
Met dezelfde finesse als van een olijfolieproducent komt deze auteur tot zijn nieuwste product: Vermoeden van licht, zijn achtste bundel. Richard Foqué heeft een formule. Hij is een woordalchemist. Zoals de goudkleurige olie druppel voor druppel tot stand komt zo groeien ook zijn verzen. Hij puurt uit, zuivert, maakt zijn boodschap kristallijn en mysterieus tegelijk. Hij bundelt tot de kernen geraakt worden en let er vooral op dat de verstaanbaarheid van zijn gedichten sterk onder controle blijft.
Vermoeden van licht bestaat uit de cycli De verloren tijd, De instortende tijd, De zoekende tijd en De herwonnen tijd. Deze dichter werkt sterk strofisch. Hij is en blijft de architect die hij beroepshalve was en schrijft met veel zin voor indeling, perspectief en balans. Zijn personages zijn gezichtloze wezens die emotieloos hun boodschap afleveren. Ze zijn anonieme, ongrijpbare, afstandelijke medespelers en figuranten die deel uitmaken van Foqué’s woordenuniversum. De auteur brengt cadans in zijn gedichten door het gebruik van herhaling. Ook de kracht van nostalgie brengt evenwicht in dit werk. Voor Richard Foqué is de stad een vooral kille gevoelloze plaats. De dichter vecht nodeloos tegen de zekerheid van ons bestaan, maar bij Foqué lees je toch ook hoop op beterschap. In de onaardse wereld van Richard Foqué weigert de dichter in feite het onontkoombare lot te aanvaarden. In de laatste cyclus lees ik vooral wat voor mij kan doorgaan als melancholische liefdespoëzie, doch zonder ballast of knelpunten. De poëzie van Foqué moet vooral zeer traag gelezen worden, pas op die manier raken alle ontvangers getoucheerd. Foqué betitelt zijn gedichten niet, maar voorziet ze van een nummering.

2.1

Telkens weer ergens
in de naam van een god
wordt een andere man gekruisigd
een andere vrouw gestenigd
in een kuil begraven.
Zwijg nu en vlucht
weg van de demonen.
Rijd met de donkerste maan
rijd door de woestijnen
rijd met stof in de ogen.

Deze gedichten overkappen een heel leven. Er is een mélange van levenservaringen, herinneringen en projecties naar een onbekende toekomst. De zoektocht van Richard Foqué loopt uit. Hij neemt zijn lezers bij de hand. Aan hen om hem te volgen of los te laten.

Vermoeden van licht, Richard Foqué, Uitgeverij P, 2017, ISBN 978-94-9233-41-6

(Frank Decerf)

Laos in spreidstand


Etienne Colman publiceerde in 2013 de bundel Façades, over een gegeven waar we allemaal wel eens mee te maken krijgen: de schone schijn en pijn in relaties. In 2014 verscheen Loopgraf, gedichten over de Eerste Wereldoorlog, een bundel die getuigt van zijn maatschappelijke en sociale betrokkenheid en dat gegeven zet zich verder in zijn nieuwste publicatie, Laos in spreidstand.
Waarom Laos? Tijdens de Vietnamoorlog bood Laos onderdak aan soldaten uit Noord-Vietnam, waarop de VS besloot Laos van 1964 tot 1973 te bombarderen met zo’n 270 miljoen clusterbommen. Eén derde van de bommen is nooit ontploft en ligt nog steeds over het land verspreid. De armste mensen proberen het staal te recupereren om het te verkopen. Daarbij vielen al meer dan 12 000 dodelijke slachtoffers en een 20 000 tal ernstig gewonden.  
Waarom Laos? De dichter trekt er al een aantal jaren naartoe om er Engels te onderwijzen en dit wat langoureuze volk heeft helemaal zijn ziel verstoord, het heeft zijn hart gesplitst.
Laos in spreidstand is een eigenzinnige bundel. Visueel eigenzinnig ook: zo krijgen de verschillende strofen binnen een gedicht een ander lettertype, waardoor je elke strofe vanuit een andere invalshoek benadert, alsof er een andere stem binnen eenzelfde gedicht aan de orde is. Het aantal verzen binnen een gedicht heeft dan weer te maken met de Laotiaanse symboliek van de getallen. Zo zijn er wel meer technische hoogstandjes en die werken perfect, maar even belangrijk lijkt mij dat Etienne Colman een veelzijdig portret schetst van het land, zijn problematiek en zijn bewoners en dat dit, ondanks zijn engagement, nergens leidt tot sentimentaliteit. Zijn gedichten bewegen zich op die moeilijke lijn tussen observatie en bekentenis enerzijds en betrokkenheid anderzijds en in dat koorddansen is hij wonderwel geslaagd.
De dichter, zoals de herder die hij in de bundel schetst hij leeft van niets en bidt, schrijft: Tijd en afstand brengen enkel troost in sprookjes die geen mens gelooft. Net daarom zijn deze bundel en dit initiatief zo belangrijk: Dit land leeft tussen slaap en werk, eet tussen vel en vlees, zit tussen schip en wal.
Eén fragment, uit Talat 1 (talat is Laotiaans voor markt):

Hun waren prijzen zij
niet aan Als vanzelfsprekend
her en der geloodst
zitten er mannen zonder
benen vrouwen geen
gezicht De slecht bedeelden
en mismaakten reiken
je de open hand
Ze zijn tekort gewoon
Hier leeft de ziel en klopt
het hart Hun leven en
hun welzijn tussen twijfel
en houvast geprangd
Van deze kleine mensen werd zijn hart nog groter en veel brozer. Hij stak nieuwe bruggen over. Dat is trouwens net de taak van de dichter: bruggen bouwen met taal. Deze dichter heeft een brug gebouwd die ons leidt naar Laos. Laos in spreidstand, een bundel die Laos een stem heeft gegeven en ook de lezer veel brozer maakt. Daar kunnen we Etienne Colman alleen maar erg dankbaar voor zijn.

Laos in spreidstand, Etienne Colman, Uitgeverij C. De Vries-Brouwers, Antwerpen-Rotterdam, 2017, ISBN 978 90 592 7526 3

(Roger Nupie)

Tweelingstrijd


Kim Pauwels studeerde Romaanse filologie en cultuurmanagement. Ze werkt momenteel als researcher voor Studio Hans Op de Beeck. Met haar debuutbundel Tweelingstrijd etaleert ze die passie nu ook voor ons.
Het is een precieuze bundel geworden, die bestaat uit tien korte cycli van drie à vier gedichten en een korte afsluitende ‘tweeling-cyclus’, telkens geïllumineerd door Anthony Albers en ingeleid met een kort vers, dat zich vervolgens ontvouwt in de gedichten.
Het centrale thema in Tweelingstrijd is de dualiteit, die elke mens in zich draagt: de innerlijke strijd, die men dagelijks voert met zijn eigen spiegelbeeld. De bundel is een zoektocht naar hoe om te gaan met die conflictueuze gevoelens en de onzekerheid, die daaruit voortvloeit. In elk gedicht kijkt de dichteres in de spiegel, tracht een beeld te vormen van zichzelf en vraagt zich af ben ik het beeld dat ik zie of is het iemand anders: een ‘tweelingzuster’, waarmee ze moet strijden om zichzelf te vinden en iemand te worden.
Het is een erg Cartesiaans geïnspireerde bundel. De eerste cyclus Ik ben zet meteen de toon met het inleidend vers Ik ben alleen als ik schrijf. Voelt de dichteres zich geïsoleerd als ze schrijft of bestaat ze alleen als ze schrijft: Descartes parafraserend ‘ik schrijf dus ik ben’. Door het ontbreken van een leesteken wordt de lezer deelgenoot in haar tweelingstrijd. In het daarop volgende gedicht Een ui, pelt de dichteres laag na laag haar zelfbeeld af en wordt tezelfdertijd de spiegel opgetrokken: Pel mij als een ui./ Ontdoe mij van mijn juten rokken./ Huil om mijn satijnen onderkleed./ Omhul me niet langer / met dit perkamenten vel./ Onthul me. Deel me / gedwee / in twee…..Keer mij om./ Fruit dat groente was.
Wat opvalt is de ingetogen, verfijnde bijna lichtvoetige zegging, die Kim Pauwels doorheen de ganse bundel hanteert ondanks de diepgravende en existentiële thema’s. Sprankelende verzen komen zo tot leven: Stip mij aan / waar ik vervlak / in luchtkleur op blad./…..Verwerp mij / desnoods, maar / ontwerp mij. (pagina 23) of  Naar voren in een veld / graven wij ons / in gelijke tralies /een zaaien in. (pagina 35). Zij speelt met dubbelbetekenissen van woorden, zet ze in juxtapositie en versterkt zo de beeld –en zeggingskracht ervan. Af en toe wordt dat te doorzichtig waardoor het beoogde effect afbot zoals bijvoorbeeld: Als jij schaduwt / wat ik kleur / kunnen we samen / het stilleven dichten. (pagina 10) ook beelden als verstilde stilte verzwakken een schitterend gedicht als Op slag (pag. 34). Zo ware het ook beter geweest om het Egidiuslied parafraserend gedicht oh, Ewaldus (pag. 62), met beelden als dart’le darrendrift niet op te nemen.
Hier en daar maakt Pauwels ook gebruik van dynamische tekstschikking, die refereert naar Van Ostayen en het expressionisme. Ook dat heeft haar poëzie niet nodig. Maar we beschouwen het als schoonheidsvlekken op een meer dan schitterend debuut. Tweelingstrijd is een uitzonderlijke bundel van een veelbelovende jonge dichteres. Op te volgen!

Tweelingstrijd, Kim Pauwels, Uitgeverij Vrijdag, Antwerpen, 2017, ISBN 978-94-6001-537-3

(Richard Foqué)

Hertenblues


Job Degenaar is al decennia lang met de literatuur begaan en zijn inbreng is nooit aflatend en bijna continu. Hij vertrekt vanuit de visie dat mogelijke poëzie start vanuit wat gepriegel op een vodje papier. Job steekt het onder geen stoelen of banken, poëzie is niet zo belangrijk als velen willen doen uitmaken. Bij zijn opbouw volgt Degenaar geen strakke afspraken. Hij gaat nogal zeer vrij om met vormgeving en inhoud. Dichters zijn trouwens enkel wat geluid op de achtergrond en dus eigenlijk nutteloos. Dit bewijst zowat de alomtegenwoordige knipoog die Degenaar zijn lezers toegooit. In een gebalde taal serveert hij flitsende beelden, gelardeerd met ratelende adjectieven. Zo komen veel van zijn gedichten filmisch over. Het is waardevol als een auteur zijn eigen schrijfsels relativeert. Het is verfrissend. Deze talentvolle dichter bewijst dat elke muze hem van dienst kan zijn. Als we een gedeeltelijke opsomming maken dan krijgen we onder meer schilderijen, collages, fotomateriaal, beeldhouwwerken, reisimpressies, muziekfragmenten, al of niet overleden artiesten en het dagelijkse leven zelf. Het moto van Hertenblues luidt als volgt: Doch schon [sic] der Kiesel nimmt die Wärme an der Hand van Reiner Kunze. Naast natuurgedichten is deze realistische dichter ook niet gespeend van zwarte humor en guitige tragiek zoals in het gedicht Treurzang om een woekerweefsel:

Alles is het om het even
m’n liefje heeft nog kort te leven
ze ligt zo stil naast me te slapen
elk rumoer in haar verdween
alle dromen zijn verstomd
enkel wachten op wat komt
m’n liefje heeft nog kort te leven
Onzichtbaar groeide het zich vast
zaaide verderf en sloeg toe
ik wou dat ik in de tijd kon teruggaan
en deze vileine parasiet verjagen
ze is zo moe, zo zwak van niets
haar stem zo dun als flageolet
m’n liefje heeft nog kort te leven
Ze ligt zo dierbaar in m’n armen
en al veel stiller dan voorheen
moed verloren, al verloren
twee bange wezentjes bijeen
gisteren nog een prachtig lijf
en nu van dimmele dommele deine
m’n liefje is aan het verdwijnen

De dichter brengt een aaneenschakeling van afstandelijke observaties. Ook het keren van de seizoenen zet hem aan tot schrijven. Vele van zijn gedichten zijn bedekt met een flinterdun bovenlaagje humor of relativering. Het versterkt de smaak. Deze bundel, die overigens heel kloek van vormgeving is, presenteert heel mooie kleurfoto’s van de kunstwerken waarmee Degenaar tot communicatie komt. De taal van Degenaar is fris, ongegeneerd, sterk en dynamisch. Het ritme is modern. Hertenblues telt 6 cycli. De kracht van deze bundel is de keuze aan ongewone situaties die Degenaar durft aan te pakken. Duidelijk is dat aan deze gedichten gewerkt is. Er is zeker veel geschrapt. De auteur heeft gebeiteld tot het resultaat niet beter kon. Voor lezers die op zoek gaan naar verdoken boodschappen is er in dit werk ook een aanbod. Soms zijn er raaklijnen met nonsens poëzie, maar dat is juist verfrissend en bij Degenaar nooit flauw en storend.

Hertenblues, Job Degenaar, Uitgeverij Liverse, 2017, ISBN 678 94 92519 09 2

(Frank Decerf)

Benno Barnards trouwservies


De bundel Het trouwservies van Benno Barnard is strak en klassiek opgebouwd. Alle gedichten in de zes cycli (Begraven woord, Darwins dieren, Bloemen en onkruid, Umunti ngumuntu ngabantu, Het trouwservies en Gebed zonder eind) bestaan uit drieregelige strofen, waarbij de lezer wordt gewaarschuwd: Jochie, kijk uit voor het rijm dat bedwelmt.

Barnard rekent in het gedicht Goede raad af met het postmodernisme dat kenmerkend was voor een periode in zijn dichterschap: Minacht het postmodernisme / het heeft geen kloten. In Vaderdromen laat zijn vader (de dichter Guillaume van der Graft) zich hier ook schamper over uit:

(…) En hij lacht

in de verte om mijn postmoderne bekommernissen,
mijn ijdelheid, mijn neurosen. “Jongen,” droom ik
dat hij zegt, “zorg voor je kinderen, zoals ik

voor jullie heb gezorgd. Aanbid je vrouw
met je hart en je pik. Gedenk mij, schrijf je leeg
en vergeet niet je vorige gedicht uit te wissen.”

Lang voor Bob Dylan de Nobelprijs voor Literatuur ontving in 2016 stelde Barnard dat de nasale eenmansmenigte de Nobelprijs verdiende voor zijn songteksten:

Natuurlijk veracht ik je, je bent een product
van de nog immer zeurende jaren zestig, je bent een icoon
van het narcisme en geloof in een vrede die altijd mislukt.

Maar de waarheid is dat ik je bewonder. Je hebt schijt
aan taligheid. Je bent zoveel stemmen. Je bent een nasale
eenmansmenigte van ons aller denken, protesteren, verlangen,
 
geboren worden. (…)

Het trouwservies is een hommage aan zijn vader, zijn vrouw, zijn zoon en zijn dochter Anna die stierf bij een verkeersongeluk en aan wie hij een gedicht opdraagt dat hij al schreef voor haar overlijden: Voor een geadopteerde dochter.

(…) Jij gelooft nog het gerucht
van de liefde en het verhaal van de groene jager
die je mee zal nemen, mijn kind van een andere man.

Benno Barnard gaat het gevecht aan met het verstrijken van de tijd en zijn leven in poëzie die binnen de strakke opbouw afwisselend, en ook vaak binnen één gedicht, cru, intimistisch, weemoedig en speels is. Een procedé dat prima werkt en garant staat voor een flinke portie ontroering, zoals in  Gebed zonder eind, naar aanleiding van de achttiende verjaardag van zijn zoon Christopher: een kettinggedicht in tien delen, waarbij de laatste regel van elk gedicht tevens de beginregel van het volgende is.

Hoor eens, ik zeg je dat ik van je lijf en leden
nog steeds gelukkig word, van tijd gemaakte lieveling,
al speelt dit verhaal ook achttien jaar geleden.

Of de gedichten in de cycli Umuntu Ngumuntu Ngabantu (een gezegde van de Zoeloes / een mens wordt een mens//door andere mensen) waarin de zestigste verjaardag van de dichter aan bod komt en Darwins dieren:

Ik zeg tegen iemand (God misschien): “Ik heb de indruk, geachte heer,
dat ik me in de huid van een ander dier goed zou voelen,
een verhuisprobleem dat ik somtijds bespreek met mijn ziel.”


Het trouwservies, Benno Barnard, Uitgeverij Atlas/Contact, Amsterdam/Antwerpen, 2017, ISBN 978 90 254 5150 9.

(Roger Nupie)

Poëtisch plakboek


De herinnering in brede zin kan goed verbonden worden met poëzie. Voor de wat oudere dichter is terugkijken bijna automatisch een bestanddeel van zijn creatief vermogen. Uitglijders liggen dan uiteraard op de loer: te sterk aangezette melancholie en al te bejaard gemonkel. Barney Agerbeek (Surabaya, 1948) weet zich uitstekend te beheersen. In Een warme oostenwind brengt hij zaken samen die geschiedenis zijn, maar die tegelijk een actuele waarde hebben. Uiteindelijk verandert er toch niet veel wezenlijks aan de belevingsmogelijkheden van de mens. Agerbeek tipt deze sluimerende waarheid in onopgesmukte taal aan.
De wind die Agerbeeks herinneringen met zich mee voert, komt uit het oosten. Het oosten staat in het leven van de dichter in dubbele zin centraal: echo’s van de geschiedenis van Indonesië krijgen een plek in een poëtisch verband waarin we ook herinneringsbeelden van Polen aantreffen. De dichter leerde daar zijn vrouw kennen.
Niet alle gedichten zijn even urgent. Soms verliest Agerbeek zich in het louter reisgids-beschrijvende. Met name als hij door de stad Gdańsk loopt. De werkelijke kracht van deze bundel is niet zo zeer de evocatie van het oosten (Europees dan wel Aziatisch), maar vooral het gevoel dat met deze evocatie verbonden is.
Het gaat om het, uit alle ervaringen geboren, besef dat de ziel zich niet laat onteigenen, dat dromen, liefde en vriendschap de waarde van het bestaan uitmaken.
Dit alles wordt verpakt in gewone taal, met hier en daar wat humor.

Elke vroege ochtend stond ik op
vol vette plannen voor de top
van stropdas tot schoenen retestrak
met de kop op. Leve de verticaliteit

Nu groeit afstand tot materie met de dag
en laten sterren een voor een los
(…) 

Agerbeeks poëtisch plakboek is divers. In de bundel staan gedichten in het Pools, maar ook zwart-wit afbeeldingen van beeldend werk (een foto, een icoon, tekeningen). Je krijgt zo een aardige impressie van de voedingsbodem die deze poëzie voortbrengt.
Rotterdams verleden en heden worden gemixt onder het toeziend oog van wijlen dichter/schrijver Cornelis Bastiaan Vaandrager (‘is goed toevent hange, kleve, magnetisties of gebijtelt zitte,…’).

Stilte klinkt dubbel
na de bommen
(…)

Na de bevrijding
Rotterdam bewerkt zijn hart
zij aan zij, een generatie lang

De recent gebouwde, maar nu al iconische, Markthal moet vervolgens verlaten worden voor the real thing.

Slenter de Markthal uit
naar de markt, pet met klep
op mijn kop, Kijk es an,
gekrioel in open space
heel de wereld op een hoop
Tussen de koopjes door
gehoord: geen gelul, zeker weten
Dah bedoellik, makkelijk zat
(…)

Het Rotterdamgevoel wordt net zo gemakkelijk afgewisseld door impressies van het Jappenkamp (Japan bezette Nederlands Indië en stopte vele Nederlanders in concentratiekampen) als door een aan Rogi Wieg opgedragen gedicht. De menselijke geest zoekt in alle tijden en omstandigheden naar bespiegeling en verhalen.

Er waait een warme oostenwind
Thuis op aarde in de landen
waar ik zonder te reizen kan zijn
om rond te lopen met open mond


Een warme oostenwind, Barney Agerbeek, uitgeverij In de Knipscheer, Haarlem, 2017, ISBN 978-90-6265-957-9

(Erick Kila)