Achter een hazelnootgebakje

Tijdschriften die ruimte bieden aan poëzie zijn intrinsiek sympathiek maar hebben wel de affreuze gewoonte om snel op te houden met verschijnen. Een aangenaam baken in het landschap van de Nederlandstalige poëzie echter blijft Het liegend konijn, waarvan het eerste nummer in 2003 verscheen. Twee keer per jaar presenteert oprichter Jozef Deleu ‘nieuwe gedichten uit het nest geroofd’ van Nederlandse en Vlaamse dichters en dichteressen. Onlangs verscheen het eerste nummer van 2017, wederom in de vorm van een kloek boek.
Het aardige is dat iedere editie werk bevat van jong talent, minder bekende poëten en gevestigde waarden. Deze keer is er bijvoorbeeld een bijdrage van Laurine Verweijen (˚ Utrecht, 1981) van wie nog geen bundel verscheen. Hetzelfde geldt voor Chris Ceustermans (˚ Mortsel, 1969), Iduna Paalman (˚ Rolde, 1991), David Van Reybrouck (˚ Brugge, 1971) en Bert Van Raemdonck (˚ Gent, 1977). Voorwaar interessante ontdekkingen. Onder het aanstormend volk verder onder meer Tim Pardijs (˚ Zutphen, 1978), Maartje Smits (˚ Soest, 1986) en Thijs van Bragt (˚ Rotterdam, 1985). Van Bragt was in literair café Den Hopsack in Antwerpen overigens al eens te gast bij de VVL, tijdens een editie van de lezingenreeks Publiek Geheim.
Het siert Deleu dat hij nieuwkomers het podium laat delen met grote namen als (in dit geval) Piet Gerbrandy, Luuk Gruwez, Peter Holvoet-Hanssen, Esther Jansma, K. Michel, Alfred Schaffer, Erik Spinoy, Marc Tritsmans en Miriam Van hee.
Willekeurig bladeren bracht me meerdere malen prachtige regels en schone vergelijkingen voor ogen. Heerlijk om een tijdje peinzend na te genieten van een vondst als Ik werd voor mijn moordenaars een plattegrond, / een partituur van hoe men om genade hoort te smeken. (Esther Jansma). Of van Hoe echt was wat wij deden toen, die van / zoveel verhalen ons de vinders / waanden? (Eric Derluyn). Bleef ook hangen: daar staat de man die voor zijn beurt spreekt / het woord liefde bungelt als een zelfgedraaide sigaret / in zijn mondhoek [….] (Willem van Zadelhoff). Van Iduna Paalman: En waar trekt de kou zich het meeste van aan: / de begintonen van een Mexicaans vissersliedje / tum tum pisca tunga ta en dat ik zeg / dat hij dan toch in ieder geval / moet doen alsof het hem interesseert.
Annemarie Estor is ook goed op dreef: Oude jurken hangen te glanzen op kierende zolders / en de violist ligt met versteende vingers onder ons terras / maar we doen alsof het niet zo is. Ze sluit af met een surrealistisch beeld, dat ik nog steeds probeer te visualiseren: Je hangt aan mij / als een aanhanger achter een hazelnootgebakje.
Er valt, kortom, weer veel te genieten. Zoals gebruikelijk is het niveau van het aanbod hoog: Deleu is een strenge poortwachter. Het liegend konijn bewijst telkenmale dat de poëzie, waarvoor in het huidige tijdsgewricht veel te weinig aandacht bestaat, in onze contreien springlevend is.

Het liegend konijn, onder redactie van Jozef Deleu, 2017/1, Uitgeverij Polis, Borgerhout, ISBN 978 94 6310 227 8


(Bert Bevers)

Prijs de dag voordat de avond valt

Hannah van Wieringen (1982) begon haar faam in het literaire landschap aaneen te breien met haar debuut De kermis van Gravezuid. Haar poëziedebuut liet niet lang op zich wachten: hier kijken we naar werd bekroond met de Het Liegend Konijn Debuutprijs. Met Prijs de dag voordat de avond valt keert de schrijfster terug naar proza. Proza gekruid met korreltjes sympathiek absurdisme, maar in essentie smaakt de novelle naar flauwe soep.
Prijs de dag voordat de avond valt vertelt het verhaal van de nerveuze Eddy IJzerwaren die behalve met ijzerhandelaar wezen, zijn dagen vult met zeuren over zijn huurders. Nooit meer jongens.; maar aan  meisjes scheelt ook heel wat. Gelukkig vindt hij op een dag een ei onder het bed van Esther, een van zijn huursters. Dit jaagt hem het huis uit, naar een bevriende taxidermist van wie hij de zekerheid verkrijgt dat het ei bevrucht is. Met deze kennis slentert Eddy rond in de stad, het hoofd vol vraagtekens en filosofische overpeinzingen over het ei. Hij bezoekt een zoo, praat met mevrouwen en sokpoppen, bezoekt zijn stamcafé, maar aan niemand durft hij vertellen waarom het ei hem zo fascineert. Dan gaat hij slapen. Tot zover het plot; een diepere beschrijving doet teniet aan het sjabloon dat dient om een absurd verhaal te construeren. In principe ligt de analogie ei-mens er iets te dik op om de novelle écht absurd te noemen. We hebben te maken met een ongelukkige man, hij vindt een ei, dit ei sleurt hij rond niet wetende wat de werkelijkheid van het ei is en daar praat hij met niemand over. Het klinkt als het begin van een Monty Python-sketch, maar daarvoor neemt Hannah haar verhaal iets te serieus. Misschien wist hij dit: de leugens die het waard zijn ontmaskerd te worden zijn de leugens die we onszelf vertellen. Een kernboodschap op de laatste pagina die thuishoort op een grafzerk.
Wat vooral misloopt in deze novelle is de stijl. Het boek leest erg lastig door het gebruik van  flauwe humor (zoals de boutade jezus gristus), omslachtige beschrijvingen, stijve dialogen en een saai, op de duur afgezaagd procedé om de lezer in het hoofd van de protagonist te proppen. Het snijdt de aandachtsboog aan stukken. Ook voor een lezer die mimetisch leest, is het daarom moeilijk zich in te leven met het hoofdpersonage. Eddys klaagzang staat loodrecht op zijn absurde odyssee met het ei. Het maakt het boek niet alleen te theatraal (en daardoor geforceerd), het vraagt veel van een lezer die al op de eerste bladzijden raadt wat het moraal van het verhaal is.
Welk effect een schrijver met een verhaal wil opbrengen, dat laat de beste literatuur aan de lezer over. Maar wanneer de stijlmotor ratelt en kraakt onder het gewicht van die vertelling wordt lezen een last. Jammer. Laat volgende keer iets gebeuren.

Prijs de dag voordat de avond valt, Hannah van Wieringen, Uitgeverij De Harmonie, Amsterdam, 2016, ISBN 978 90 76 174 761

(Giuseppe Minervini) 

Verdampgeld en langdradigheid

De merkwaardige titel van K. Michels nieuwe bundel (Te voet is het heelal drie dagen ver) wordt bij de Aantekeningen een beetje verklaard. De grens tussen de aardatmosfeer en de ruimte wordt op ongeveer honderd kilometer gesitueerd. De fysiek onmogelijke driedaagse wandeling naar het hogere van de dichter, op weg naar de overgang van aards naar hemels, staat dan kennelijk voor K. Michels gewaagde taalbewegingen.
Natuurlijk kan en mag alles in poëzie. Je moet alleen wel oppassen  voor… foefjes.
In deze bundel pakt het ongunstig uit: de dichter wordt ernstig dwarsgezeten door de goochelaar. Er is een aantal sterke gedichten of fragmenten aan te wijzen in Te voet… , maar de trukendoos wordt vaak geopend.

De vind variaties

Ik vind een stok
Ik vind een willig oor
Jij vindt er geen fluit aan
Jij vindt het zonde van het geld

Zij vindt hem een  – met alle respect –
popcornpan zonder deksel
Hij vindt zich een zondebok
Zij vindt dat hij aanzet tot haat
Hij vindt dat hij mag vinden wat hij vindt

Koen vindt voetbal stom
De kok vindt de hond in de pot
De oproep vindt geen gehoor
(…)

En dan hebben we ook gedichten waarin een mopje besloten zit. Zo voeren in Bij de ingang twee daklozen een gesprek over een magnetron. Tsja. So what? Welke poëtische snaar gaat hierdoor trillen?

De lach van Rutte

En dan op een dag
- een doodgewone doordeweekse dag
tijdens een normale niets aan de hand persconferentie
zo rond een uur of vier –
na al dat jarenlange glimlachen
grinniken, giechelen, grijnzen
gniffelen,  ginnegappen, grapjurken
lachebekken, proesten, schateren, dijenkletsen
dubbelklappend naar adem happen
schatert de premier het zó luid uit, zó breed en
gul en gretig, extatisch en spastisch
zó open en vol overgave
dat zijn lach letterlijk van zijn gezicht spat
en op de grond smakt (…)

Langdradig, gratuit.
In deze bundel wordt poëzie verweven met een ironisch commentaar op onze modern maatschappelijke atmosferen. Dat dit trefzeker en verfijnd kan, blijkt bijvoorbeeld in
Benedenwinds, een (gelukkig) korter gedicht ter gelegenheid van de presentatie van het
verzameld werk van H.H. ter Balkt. Het ‘verdampgeld’ (pars pro toto voor de graai- en tovercultuur van financiële instellingen) wordt hierin subtiel op de staart getrapt.

Lucht en leegte & weer gooien
de banken en de beurzen
miljarden in de put in de wind
dempgeld verdampgeld
(…)
Ach, kan er niet een fijne geleerde
uitrekenen hoe en waar
bij deze of gene barometerstand
de damp zal afdrijven
dan kunnen we benedenwinds klaar gaan staan
(…)
om van al dat vervliegende geld
ten minste de geur op te kunnen snuiven

Als Michel zich inhoudt wat lengte betreft, worden de gedichten pregnanter en ‘noodzakelijker’. De cyclus Maanloos is een mooi voorbeeld.
Zodra er met dialogen, herhalingseffecten en het kruipen in het hoofd van een ander (een schilder of schrijver) wordt geëxperimenteerd, is het resultaat nogal melig en gekunsteld.

Te voet is het heelal drie dagen ver, K. Michel, Uitgeverij Augustus/Atlas Contact, Amsterdam/Antwerpen, 2016, ISBN 978-90-254-4775-5


(Erick Kila)

Tot de woorden wortel schieten

Voor zijn tiende bundel vaardigde Philippe Cailliau (1954, Elisabethstad) twee Russische dichteressen af: Anna Achmatova en Marina Tsvetajeva. Van de eerste koos hij de regels De frisse geur van teer, een kreet van woede, / Een vreemd gevormde schimmel op de muur... / Dan klinkt opeens, tot uw en mijn genoegen, / Een vers op, teder en vol vuur. Aan de tweede ontleende hij het fragment : ‘Maar als u geen hout meer hebt voor uw fornuis?’ / Een dichter heeft altijd een voorraad in huis / van woorden, die vuur evenaren.
Wat hebben deze twee motto’s gemeen? Enerzijds armoede en ellende - beide dichters kregen te maken met de knoet van de Sovjet-politiek - en anderzijds de passie voor het dichterlijk woord. In dat straatje past ook Cailliau’s situatie, al kunnen we dan politieke dwang en manipulatie vervangen door ziekte en doodsangst. De citaten bevestigen echter Cailliau’s insteek: de primaire, soms zelfs vegetatieve levensdrang van de poëzie, vooral bij tegenstand, en de trots van de vertolker, kwetsbaar maar allesbehalve weerloos… De hoop dus!
Tot de stenen wortel schieten bestaat uit vier delen: Stapvoets leven, De geur van taal,  Geklemd vanbinnen en vanboven en Wonen in een reistas. De eerste afdeling telt meer dan de helft van de gedichten maar legt thematisch niet evenredig veel gewicht in de schaal.
Waar je het boekje ook openslaat, je wordt meteen geconfronteerd met Cailliau’s onmiskenbare stijl: een kleurrijke en directe zegging en een krachtige, originele beeldspraak. Een snoer van substantieven uit nog maar het openingsgedicht Groei brengt de lezer in de stemming: verkenner, moerassen, angst, affuit, kruis, narrenkap, koude, bedelaars, tieten, kruiswoordraadsels, bekkenbodem.
Enigszins uit de toon valt Lied van lief en lafenis - Wingdings, dat consequent alleen uit dat soort tekens is opgebouwd. Het zorgt voor een lichte toets en die is welkom want Cailliau is een ernstige dichter. Als hij al humor aanwendt, dan varieert die van ironie tot sarcasme.
De dichter is op z’n sterkst waar verteltoon en beelden in een korte, misschien beknotte, vorm samenvallen tot optimale indringendheid zoals in Vrouwen vouwen open als een schaar of:

Het heengaan is als stromend zand
dat leeft, dat hersenschimmen zeeft,
dat baggerboten boven water houdt.

De vierde afdeling is een lyrische verantwoording voor de verhuizing van de Brusselse rand naar Oostende. Hij bestaat uit drie lange verzen over het afscheid van de hoofdstad, en een serie van tien getuigenissen van een plaats die weliswaar maar al te goed weet wat lijden is, (de dichter verwijst naar o.a. schipbreuken en beide wereldoorlogen) maar die toch symbool staat, waarschijnlijk juist door dit alles, voor de drang zich ergens thuis te voelen, voor een nieuwe levensruimte, voor energie en inspiratie en vooral voor continuïteit en oneindigheid, uiteraard verbeeld door o.a. lucht en zee.
De principiële titel van de bundel verglijdt daarmee in het gewenste onderliggende perspectief: tot de woorden wortel schieten in de lezer!

Tot de stenen wortel schieten, Philippe Cailliau, Kleinood & Grootzeer, Bergen op Zoom; 2016; ISBN: 978-90-76644-79-0; NUR: 306


(Albert Hagenaars)

De plaats in zijn wereld

Martin Beversluis is stadsdichter van Tilburg tot augustus van dit jaar. Hij voelt zich in dit ambt thuis als een vis in het water. In de jaren dat hij de scepter zwaait, heeft hij menig heilig huisje geschopt, bewierookt en gerenoveerd. Wars van reputaties zette hij een toon die voor menig collega stadsdichter jaloers makend geweest is.  Hij wilde dan ook maar wat graag stadsdichter van ‘013’ worden.
Hij heeft er hard aan gewerkt om het zover te laten komen. Niet alleen herdacht hij zijn twintigjarig dichtersjubileum (zijn debuutbundel De Zeisloper verscheen in eigen beheer in 1995), hij bracht ook zijn tiende dichtbundel uit, Meandertaler. Een titel die de associatie met Neanderthaler niet kan ontlopen, mede gezien het woest geportretteerde gelaat van de dichter op het omslag. Hij sierde er zijn installatie mee op.
De bundel telt 3 afdelingen: Tijd (11 gedichten), Landschap (13 gedichten) en Zee (7 gedichten).
De gedichten in die eerste afdeling, Tijd, zijn erotische, melancholieke herinneringen en overdenkingen. Leven, liefde, seks en dood worden door deze gedichten aan elkaar geschakeld. Het een leidt tot het ander, zo gaat dat.
(…)
huidherinneringen
strelen en dichtbij
de glooïngen van
je vel en been het
terrein dat ik mag
ontginnen om
eenmaal ontgonnen
opnieuw te beginnen

begonnen.

Het gebeurt waar je bij bent en je kunt er niets aan doen, lijkt de teneur van deze gedichten. Ze passen goed bij het motto dat de bundel siert:
We stoeien in de branding van een broeierige tijd. Wat ons drijft [het] is een kleine stille strijd.
Van Thé Lau van The Scene (uit Kleine stille strijd).

In de afdeling passen dan ook de twee solidariteitsgedichten Laatste rol (bij het overlijden van grensrechter Richard Nieuwenhuizen) en Geparkeerd op een vluchtstrook (ter gedachtenis aan de slachtoffers van de MH17).
In de tweede en langste afdeling, Landschap, is een dichter aan het woord die zijn verschillende gezichten laat zien: nu eens recalcitrant, dan weer onschuldig bij het naïeve af, of juist melancholisch en berustend, want zo gaat het immers.

 uiteindelijk tekenden we maar
bij het kruisje omdat daar de
            schat lag naar onze vaste
            overtuiging we herhaalden
            onszelf als een teken van stress
            en we gingen ook wel eens
gewoon dood

tot het tijd was op te staan.

De bundel eindigt met de afdeling zee, waarin eigenlijk het enige ‘zeegedicht’ het laatste is: Opdracht. Met daarin de laatste twee strofen:

ga niet meer langs start zoek niet
om te vinden vloei traag door het
landschap geef leven zodoende

verander met de tijd van zoet
in zout bevrijd van identiteit
kronkel vloeibaar en vermeng
verder tot je de zee zelf bent.

Martin Beversluis kan nog wel even verder, nog wel zo’n twintig jaar om maar eens te beginnen. Ook als hij geen stadsdichter is van Tilburg. Zolang hij de stad, de liefde en de dood omarmt zal de dichtader stromen. Tot hij de zee zelf is.

Meanderthaler, Martin Beversluis, Uitgeverij Blikvorm, Tilburg, 2016, ISBN 978-90-823796-1-7

(Wim van Til) 

Kort bij de zon is het warm

Enkele maanden geleden kreeg Frederik Willem Daem op de Antwerpse Boekenbeurs de prijs voor het beste debuut voor zijn verhalenbundel Zelfs de vogels vallen. In dit boekje, zijn 10 verhalen opgenomen, in lengte variërend van 4 tot 53 pagina’s: Kort bij de zon is het warm, Voorbij de klif, Zelfs de vogels vallen, Monstertjes II, Het land dat God vergat, Zodiak, Wild vlees, Vechtende cirkels, As seen on tv en Gota fría.
 Het eerste verhaal, Kort bij de zon is het warm, gaat over een achtervolging door de voorsteden van Los Angeles. Dennis Parker, een cholo (een Mexicaans of Indiaans of Spaans bendelid), wordt door de politie achtervolgd in een duizelingwekkende race: zijn Nissan gaat in vlammen op. Zijn familie ziet alles gebeuren op tv. Dit verhaal zet de toon: de lezer maakt kennis met de hippe, vibrerende en flitsende stijl van Daem! In eenzelfde tempo raast het verhaal As seen on tv over de pagina’s: een jonge racer in LA rijdt zich kapot. Ook helemaal doordrongen van de Amerikaanse way of life is Het land dat God vergat, dat zich afspeelt in een vestiging van McDonald’s.
Voorbij de klif schreef de auteur in 2013 in de schrijversresidentie Biermans-Lapôtre aan de Boulevard Jourdan in Parijs, in opdracht van deBuren. Het relaas van een dwaaltocht door nachtelijk Parijs, doorweven met flashbacks en tegelijk vooruitlopend op de schrijnende finale van de fragiele liefdesgeschiedens tussen twee Brusselse jongelui die zich roekeloos in Parijs vestigden.
De hoofdbrok in deze verhalenbundel is echter Zelfs de vogels vallen, een magistraal samengebald verhaal met filmische schwung, over de opgang en ondergang van een televisiepredikant in Amerika, verteld door zijn trouwe echtgenote. Verontrustend en tegelijk hilarisch zijn de verhalen Monstertjes, Wild vlees en Vechtende cirkels, waarin kinderen en tieners zich op onthutsende wijze profileren als omgekeerd onschuldig. Zodiak situeert Daem in een ruimtestation en in Gota fría vertelt hij over een oudere dame die op vakantie in Spanje nog een deplorabel liefdesavontuur beleeft.
Daem studeerde aan het Rits in Brussel en wou aanvankelijk cineast worden. Hij ontpopte zich echter als een rasschrijver met een wilde, meeslepende verbeelding. Zijn talent om zich te verplaatsen in de leefwereld van zijn personages is indrukwekkend. Hij schrikt er niet voor terug de taal van zijn ‘helden’ te gebruiken: pubers bijvoorbeeld laat hij een uitdagende, seksueel getinte schuttingtaal gebruiken. Daem schrijft ook zonder schroom onverholen Vlaams. Hij gebruikt het persoonlijk voornaamwoord ge in plaats van je en de kinderen gaan naar ’t school.
Tenslotte wil ik het gevoel voor humor van Willem Frederik Daem vermelden. Ondanks de aangrijpend-beklemmende sfeer in deze sublieme verhalenbundel is de lach niet ver weg. De lezer zal zeker binnenpretjes hebben wanneer de kinderen in Monstertjes ruziën om de tweeënzestigste aflevering van Jommeke waarin die samen met zijn vrienden naar een eiland vol apen gaat die hen op hun wenken bedienen...

Zelfs de vogels vallen, Frederik Willem Daem,  De Bezige Bij, Amsterdam/Antwerpen, 2016, ISBN 978 90 234 9780 6

(Nicole Van Overstraeten)


Het bodemloze blauw

Samen met Hugo Claus is Mark Meekers de meest bekroonde Vlaamse dichter vermeldt de flaptekst van deze bundel waar schilder Marc Chagall de inspiratiebron voor vormt.
Maar er is meer: weinig dichters hebben wellicht zo vaak een bundel gewijd aan beeldende kunstenaars als Mark Meekers: Vincent Van Gogh (Een schot in de zon, 1990), Camille Claudel (Camille, een steenworp in de tijd, 1992), Rembrandt (Feesten van Licht, 1999), Paul Gauguin (Paradijskoorts, 2002), Constantin Meunier (de tweetalige bundel Een adem van brons / Un souffle d’airain, vertaling: Bernard de Coen, 2005), Eugeen van Mieghem (Orpheus in de haven, 2006) en Félicien Rops (Ropsiennes, 2009). En alsof dat nog niet genoeg is: er zijn ook nog losse gedichten over Claude Monet, Pierre Bonnard en Arcimboldo. Wellicht wordt Meekers’ grote belangstelling voor beeldende kunstenaars mede verklaard doordat hij zelf actief is als schilder (onder zijn echte naam Marcel Rademakers).
Het kleurrijke, sterk symbolisch werk van Marc Chagall baadt in een dromerige sfeer. Thematisch combineerde deze Franse kunstschilder van Joods-Wit-Russische afkomst  elementen uit onder meer de Russische volkskunst en het volksleven met jeugdherinneringen, die hij met stijlelementen uit het fauvisme, expressionisme en kubisme verwerkte tot een heel eigen en meteen herkenbaar palet.
Bodemloos blauw is een ambitieus project. Mark Meekers belicht zowel leven als werk van Chagall in deze bundel van maar liefst 86 gedichten van elk vier kwatrijnen, geordend volgens negen fases uit het leven van de kunstenaar, aangevuld met een nawoord, Met het licht als leidraad: “De belangrijkste feiten uit Chagalls leven en vooral de gedachten, emoties en stemmingen die hij in zijn werk legt, boeien mij.”
Het geheel wordt voorafgegaan door twee gedichten, waarvan we het eerste, Levenslijn citeren:

leven op enkele vierkante meter linnen
waar enkel het oog kan wonen: steekspel
van vermiljoen, daverende kleurengekte
van een danstent, strooiweide voor her­-

inneringen. sneeuwballen uit een kinder-
­hand die jaren later doel treffen, het blauwe
fluisteren van de schaduwen, verbeelding
verdoekt, een zonnekoning tussen loden

tubes en bijtend terpentijn om materie te
verdunnen, eigeel met gloei op de wangen,
parlevinkende tussentinten, blanc d’argent
voor de sterren, zijn tafelzilver, verf in een

vrolijke bui. kleurvast, in het oog van het licht,
nooit één lijn getrokken die zwart ziet van
een leugen, ongehoord wat hij ziet, ongezien
wat hij hoort: handlezer van het ontastbare.

“Liefde voor mens, dier, schoonheid leidde zijn leven en zijn schilderhand. De dichter laat zich door deze uitgestoken hand leiden. De ontmoeting met Chagall was voor hem een feest. Kijkers en lezers zijn er van harte op uitgenodigd.” Tot zover de dichter zelf.

Uit Salto vitale, het laatste gedicht:

hij gaf schoonheid een nieuwe tong, zalfde
met verbazing, sloeg met verwondering.
genoeg tinten gecharmeerd, dwaalsterren
de weg gewezen, horizonten overgestoken.

Wie wil afdalen in de poëtische vertolking van leven en werk van Marc Chagall is met Bodemboos blauw van Mark Meekers aan het juiste adres.

Bodemboos blauw, Mark Meekers, Uitgeverij P, Leuven, 2016, ISBN 978 94 92 33916 4


(Roger Nupie)

De werkelijkheid voor gevorderden

In Uit de lucht gegrepen, Alain Delmottes vorige bundel (2013), was hij er een beetje: Warhoofd. In 2002 al werd hij de naamgever van een bundel. De geheel uit het lood geslagen (literaire) afsplitsing van schrijver/dichter Delmotte (Kortrijk, 1957) krijgt in Warhoofds gekkenwerk compleet vrij spel.
De titel van deze verzameling ‘prozastukken, prozagedichten, schetsen, notities, improvisaties, clowneske ingrepen, satire, hyperbolen’ lijkt een pleonasme, maar is het, bij nader inzien, niet. Serieus en zorgvuldig wordt hier een overzicht gecomponeerd van Warhoofds leven, dood en werken. Delmotte begrijpt de hedendaagse wereld in haar idiotie en houdt dit het hele gekkenwerk soepel en aangenaam droogjes vol. Er is sprake van een verfijnde en complexe juxtapositie: het warhoofd getekend in zijn wereld van het omgekeerde, een leefgebied dat (hoewel op zijn  kop gezet) inpasbaar lijkt in de ‘gewone’ wereld. Delmotte laat geen contrast zien met het gewone, hij levert geen kritiek, noch kermt of jammert hij. En toch laat hij in een geheel eigen luchtige toonzetting zien hoezeer onze ‘werkelijkheid’ ook de werkelijkheid is van de omkering. Wat is werkelijk werkelijk? Welke werkelijkheid geldt?

Petit portrait à propos d’une poire
Warhoofd schetst zijn zelfportret

1
Hij is bedreven in het nooit au sérieux worden genomen. Dat er met
hem geen rekening wordt gehouden, hij smeekt erom, het is zijn
zegen.

Van opzij worden geschoven maakt hij een zaak. Plichtsgetrouw
behoort zich laten bedotten tot zijn dagelijkse taken.

Koste wat kost kickt hij op zich uitgerangeerd voelen.

Kunstzinnig en deskundig in gekkenwerk trekt hij weloverwogen
meestal aan het kortste eind.

Dat hij vandaag alweer geen gehoor kon vinden, maakt zijn dag
goed. Maakt zijn dag af.

Al lezende ga je bijna wennen aan de omkering, de verschuiving in de normaalheidsbeleving. En daarmee hebben we gelijk de sterke kant te pakken van dit prettig krankjorume, negen afdelingen tellende, mengelwerk. Warhoofds gekkenwerk prikkelt het beoordelingsvermogen op een cynisch-amusante manier. De vermoeid rakende intelligente lezer, tegenwoordig omgeven door ‘alternatieve feiten’ en betekenisloze taaluitingen, krijgt plaagstootjes. Hij gaat nadenken over zijn eigen verhouding met de werkelijkheid.

We dwalen, we weten dat we dwalen en nemen daarom de
kleur van het klinken van glazen aan en toosten: ‘Dat het morgen in
geen geval beter wordt: maar vandaag, vrienden, vandaag doet ons
dat nog geen kwaad.’

Het lijkt erop dat Delmotte zijn literaire domein gevonden heeft tussen poëzie en proza, tussen waan en werkelijkheid en tussen ernst en spot. In dat intrigerende ‘tussengebied’ beweegt Warhoofd zich als een noodzakelijke tweelingbroer. Hij doorleeft het ongewenste, het onduldbare en het ondraaglijke vanzelfsprekend en relaxed. Hij knaagt daarmee aan de normaalheid en het ‘onnadenkend’ vertrouwde. 
De werkelijkheid begrijpen in een andere (werkelijkheid). Het klinkt gewaagd, zweverig zelfs, maar bij Alain Delmotte gebeurt het. Een originele en subtiele bundel.

Een fotoreeks van dingen waarop je je hebt blindgestaard.

Stills uit de verfilmingen van je melancholie.

Op wit gebleven canvas pogingen tot zelfportret. Ben jij dit wel? En
doet het ertoe?

Warhoofds gekkenwerk, Alain Delmotte, Uitgeverij Stanza, 2017, ISBN 978-94-90401-34-4


(Erick Kila) 

De Wachteling

In der Beschränkung zeigt sich erst der Meister. Aan dat spreekwoord moest ik denken toen ik De Wachteling uit had. En ik had het snél uit, maar begon wel gelijk opnieuw. Het boek gaat over wachten. De auteurs schreven de tekst op verzoek van Special Arts Festival. “We doen het allemaal. Wachten. Op de bus, op de trein, aan het loket of in de supermarkt. Wachten tot de pijn overgaat. Wachten op nieuws, een mail of een brief. Wachten om je kind in te schrijven op school, in de jeugdbeweging. Wachten op een nieuw seizoen, wachten op regen. Wachten op iets om ons leven te verlengen. Wachten op de dood,” valt te lezen in de verantwoording. “De Wachteling wil geen gewoon prentenboek zijn, maar een denk- en praatboek voor jong en minder jong, een aanzetboek om over het maatschappelijke fenomeen ‘wachten’ te reflecteren, het te herkennen in de complexe contexten van de samenleving, en zich hierover een verantwoorde mening te vormen.” In het boek zelf komen zulke lange zinnen niet voor. Pollet en Vermeulen suggereren eerder dan dat ze het vertellen, in uitgepuurde dialoogjes, het ‘verhaal’ van een jongen/mannetje (hij doet me een beetje denken aan een jeugdige versie van Nicolas Sarkozy) die/dat geduld heeft. “Ik wacht gewoon op het goede moment.” “En wanneer is dat, het goede moment?” “Dat komt. Maar je moet erin geloven.” Hij laat anderen braaf voorgaan (“Vind je het erg dat ik voor ga?” “Nee hoor, doe gerust.”), en wacht. Wácht, terwijl de seizoenen verglijden. “En wanneer ga jij dan?” “Op het goede moment. Dat komt altijd. Dat voel je.”
De dichter Frank Pollet (tevens de initiator van de wielerpoëzieblogs GeelZucht en Pen & Pedaal) publiceerde bundels als Waterland, Belladonna, La Strada, LaDiDa en Drie Theremins. Maar hij is ook kinderboekenschrijver (van onder meer Crapuultjes!, Een nieuwe thuis voor Treesje en Want een ezel is een voorbeeldig mens! - waarvoor hij de Prijs van de Kinder- en Jeugdjury Vlaanderen kreeg), net als echtgenote Moniek Vermeulen (ze schreef o.a. Grote Juul en kleine Egon, Curieuzeneuzemosterdpot, Siebe wil een papa kopen en Zoepie uit de ruimte). De twee werkten reeds eerder samen, hetgeen resulteerde in bijvoorbeeld Thuis in de natuur en Ik mis je, mams.
Met De Wachteling voegen ze een pareltje toe aan hun oeuvre. De waarlijk beeldschone prenten zijn van Tim Polfliet. De illustrator werkte al eerder samen met Moniek Vermeulen, aan Sep kiest een ma bijvoorbeeld. Maar hij illustreerde ook Meneer Teddy en zijn beren van Ron Langenus. “Sommige mensen vinden altijd dat ze lang moeten wachten. Soms moet je lang wachten, soms ook niet.” legt de hoofdrolspeler uit. Soms leg je een boek weg wanneer je het uit hebt, soms ook niet. De Wachteling nodigt uit tot herhaaldelijk beetpakken, doorbladeren en mijmeren. Het is, kortom, een verrukkelijk charmant boek, dat liefdevol werd vormgegeven. Voor lezers van 7 tot 77 jaar….

De Wachteling, Frank Pollet & Moniek Vermeulen, met prenten van Tim Polfliet, Uitgeverij De rêverie, Laakdal, 2017, ISBN 9789082277531


(Bert Bevers)