De hele santenkraam

In Vlaanderen en Nederland nog nagenoeg onbekend, maar in Zuid-Afrika een beloftevol en opwindend talent: dichteres Ronelda S. Kamfer, geboren in 1951 in Kaapstad. Na haar debuut in 2008 met Noudat Slaapende Honde, publiceerde zij dit voorjaar de bundel Santenkraam.
Het centrale thema van deze bundel is de ontruiming van Skipskop, een voormalig vissersdorpje bij Arniston, dat voor de bouw van een militair oefenterrein in de jaren zeventig moest verdwijnen. Ronelda S. Kamfer geeft niet alleen de verjaagde bewoners van Skipskop een naam, zij refereert ook naar de geschiedenis van Zuid-Afrika. Ronelda S. Kamfer levert in haar poëzie geen directe kritiek op de aan de coloured people opgelegde beperkingen. Maar de lotgevallen van haar personages impliceren politiek gevoelige issues als uitsluiting, armoede, geweld en waanzin.
In het gedicht bericht van uitzetting onthult Jan van Riebeeck, spreekbuis van de VOC, de ware bedoelingen van de kolonisten:

we gaan een kasteel bouwen want ik ben immers een koning we gaan een fort bouwen om ons tegen uhm... eh… de vijand te beschermen mijn andere makkers uit het noorden hebben een fantastisch handeltje: koop een slaaf en verkracht gratis een slavin

In Klippenkust  introduceert de dichteres kleurrijke personages als Slimme Sara, Kindse Terence, Mooie Mitchy Mitchell, Malle Maria, ome Grotevis Visser:

                            de mensen
van Klippenkust
zien hoe ome Grotevis Visser
voor dag en dauw
op zijn veranda zit
zit en terugdenkt
denkt aan
denkt aan zijn vader denkt aan zijn moeder en denkt
aan een tijd dat de zee nog kon
praten en alle verhalen van de wereld
onder in het water
leefden hij denkt aan de stemmen in zijn aderen
ome Grotevis Visser denkt aan zijn mensen
aan de mensen van de santenkraam

Ronelda S. Kamfer verzamelde haar 41 gedichten niet in cycli, maar in ‘vervolggedichten’. Bij Klippenkust horen bijvoorbeeld 5 gedichten (p. 39, 71, 75, 85, 103), waarin de lotgevallen van bovengenoemde personages worden uitgewerkt. Op pagina 39 vraagt ome Grotevis Visser zich af of het de schuld is van zijn Indiase bloed, dat zijn voorgangers en hij elke keer weg moeten. Ook vertelt Jeppe zijn levensverhaal, beheerst door alcohol en drugs. Ronelda’s moeder Martha was slachtoffer van huiselijk geweld, vriend Shaun is een junkie.
Maar een verrukkelijk hoogtepunt vormen de ‘onderwatergedichten’, waarin Ronelda S. Kamfer een wereld oproept van gezonken schepen, vissen die zich als mensen gedragen en waarbij een koor van zeemeerminnen de gebeurtenissen van commentaar voorzien, zoals in een klassieke Griekse tragedie.
De poëzie van Ronelda S. Kamfer is fris, ongekunsteld, rauw en intelligent. De veelheid aan associaties, de wrange ironie, het understatement, de magische herhalingen en monologue intérieur-technieken suggereren het poëtisch reservoir van deze dichteres. Santenkraam is een tweetalige bundel. Op de linker pagina staat steeds de Afrikaanse versie, op de rechterpagina lezen we de Nederlandse vertaling. Het is beslist interessant om die te kunnen vergelijken. De bundel sluit af met een verklarende woordenlijst.

Santenkraam, Ronelda S. Kamfer, Uitgeverij Podium, Amsterdam, 2012, ISBN 978 90 5759 517 2

(Nicole Van Overstraeten)

Als de paradijsvogel

De cycli Als de paradijsvogel, Ginder, Flower Girl en Eindeloos verenigen de voorlopig laatste poëtische pennenvruchten van Gust Van Brussel en wat was zijn bedoeling met dit werk? Bij het verschijnen van De Gouden Vogel beloofde ik de gedichten, die ik na deze bundel nog zou schrijven, eveneens uit te geven. Vandaar dat nu Als de paradijsvogel aangeboden wordt. Een honderdtal gedichten in vier bundels verdeeld. Mij ligt Ginder nauw aan het hart. Ik noemde die gedichten oorspronkelijk Voetpadgedichten en schreef ze in het rusthuis ’t Smeedeshof in Oud-Turnhout. Iedere dag liep ik van mijn flatje naar het kerkhof, waar de as van mijn lieve vrouw op me wacht. Gedurende de wandelingen heen en terug, droeg ik de indrukken mee die ik als oude rusthuisbewoner had en tikte die, eens in ’t Smeedeshof terug, in mijn laptop. Wie in dit verborgen leven van de vierde leeftijd verbleef om er de eenzaamheid als gezel te hebben, zal die gesloten wereld herkennen.
In dit werk vindt de lezer ongecompliceerde verzen; sterk gevoelsgeladen en pretentieloos. Het is alsof de auteur de balans opmaakt, hij getuigt wat in zijn leefwereld omgaat en brengt die observaties fijn in beeld. In zijn woorden liggen rust en aanvaarding. Hij wil opkomen en spreken voor de verzwegenen, hen beschermen voor de vergetelheid door hen als bijzondere mensen in poëzie vast te leggen. Van Brussel is een zeer humane dichter en dat siert hem. De ‘kleine’ drama’s van bijvoorbeeld de rustoordbewoners, herschikt hij tot serene nostalgie. In een soort parlando laat de auteur ons delen; hij openbaart zijn heldere geest en blijft meelopen, mee rapporteren. Hij ziet en legt vast. Hij wordt kroniekschrijver van een traag weg zeilende tijd.

Tegenover mij zit de zwijger
Hij krijgt extra cola omdat zijn suiker weer mis
zit
Als zijn neus druipt valt de slijm in zijn bord
Hij is bijna zo oud als zijn moeder
Toen ze stierf was ze zes jaar ouder
Hij zit haar op de hielen
Hij bleef bij haar omdat niemand voor haar
zorgde
Zij huilde bij ieder lepeltje
Omdat ze moest sterven
Of omdat ze de soep niet lustte

De rust is voor de anderen, voor diegenen die niet meer kunnen, die geen enkele keuze meer hebben. Van Brussel vertegenwoordigt hen en zijn poëtica verdedigt respect. De aspecten van het oud worden en het oud zijn liggen in dit werk veilig gecatalogeerd. Door ze te bundelen gaan ze gegarandeerd nog enkele levens mee en kunnen nieuwe generaties het werk blijvend appreciëren. In deze late dagen van de vroege winter roept de auteur zijn lotgenoten op om (nog) niet op te geven en nog zoveel als mogelijk dromen te vangen. Gust Van Brussel aanvaardt zijn toekomst, hij ontvangt zijn lot als een gentleman. Hij brengt alles in kaart en zijn gedichten nodigen uit. Ze beogen de finale vol optimisme af te wachten en daardoor vind ik dit werk vooral ook moedig en waardevol.

Als de paradijsvogel, Gust Van Brussel, eigen beheer, Antwerpen, 2012

(Frank Decerf)

De reliqua van Bart Mesotten

De bundel Reliqua (overschotten) bevat naast 184 bladzijden haiku’s 6 vertaalde fragmenten van het Indische epos Ramayana en 232 pagina’s Etymologische Verkenningen. Voor diegenen die nog niet heel vertrouwd zijn met het begrip haiku geeft Bart Mesotten een korte inleiding over haiku en aanverwante vormen zoals senrioe en tanka. De reeks haiku’s is onderverdeeld in 6 reeksen: dagboek-haiku’s, reizen, ziekenhuis, Maria-tuinbeeld, de oude pater en vertaald in het Latijn. De auteur houdt zich meestal aan het klassieke schema en inhoud: qua schema drie regels van 5-7-5 lettergrepen en qua inhoud een momentopname van verwondering, een poëtische beleving.

De kaars op tafel
tussen de beide oudjes;
hoe roerloos de vlam.

Met enkele woorden geeft hij hier een prachtig sfeerbeeld weer van twee oude mensen. ’s Avonds zitten beiden aan tafel, er wordt geen woord gezegd. Dit is niet meer nodig, na zovele jaren is alles al eens gezegd. Ze kennen en begrijpen elkaar zonder woorden. De roerloze vlam is een duidelijk beeld dat beiden stil zitten, geen woord spreken. De vlam brandt nog, maar niet meer met de hevigheid van vroeger. Ze geeft slechts wat licht en wat warmte. Dit is de kracht van haiku: in enkele regels bijna een heel verhaal weergeven. Maar zo kort geformuleerd dat het aan de lezer is om het plaatje te vervolledigen. Een haiku suggereert, de lezer voltooit.

Warme zomernacht.-
Eén krekel vult de stilte
van het hele dorp.

De Ramayana is een lang werk: ongeveer 50.000 verzen. Voor ons westerlingen gaat het verhaal iets te traag en zijn er teveel beschouwingen. Dit komt waarschijnlijk omdat wij onvoldoende op de hoogte zijn van het taalgebruik en de religieuze beeldspraak. De auteur brengt ons wel een vlot leesbare tekst.

Uit het huwelijk:

Dit is Sietaa, ‘t kind der Aarde,
mij duurbaarder dan mijn leven.
Nu wordt zij uw deelgenote:
delen zult gij pijn en vreugde.
Moge zij de uwe wezen
overal waar gij zult toeven.
Heb haar lief in pijn en vreugde,
in goede en kwade dagen.
Voeg uw beider handen samen:
man en vrouw blijven verbonden
zo gelijk verbonden blijven
zon en warmte, boom en schaduw.

In het derde deel laat de auteur ons genieten van zijn inzicht in onze taal. Het is een plezier om de etymologische verklaring te ontdekken van het apenstaartje, de bakharing, aristocratie, de chambrang enzovoort. De auteur geeft hier blijk van een enorme kennis die hij ons voorschotelt. Nochtans komt hij niet belerend over. Hij geeft ons op subtiele wijze les in taalkunde. In de haiku’s laat hij ons ook genieten van zijn levenswijsheid.

Hoe oud ik ook ben:
ligt op mijn pad een den-appel,
ik geef hem een trap.

‘Ken u zelve’ was een tekst boven de Apollotempel in Delphi: de mens moet eerst zichzelf kennen vooraleer hij een ander kan begrijpen. Dat Bart Mesotten deze spreuk kende is meer dan duidelijk.

De oude pater
weet niet, zoals Gezelle,
hoe hij bidden moet.
 
 
Reliqua, Bart Mesotten, Uitgeverij Halewijn, Antwerpen, 2012, ISBN 978-90-8528-234-1

(Ferre Denis)

Boem, paukeslag!

De Nederlandse bloemlezer, dichter en dierenbeschermer Henk van Zuiden verzamelde in een recente uitgave van de reeks Rainbow Essentials niet minder dan 144 muziekgedichten. Boem, paukeslag! is een luxueus uitgegeven pocket. De titel verwijst naar Paul Van Ostaijen, maar vreemd genoeg is van hem geen enkel gedicht opgenomen.
Vooraan een inhoudsopgave met auteursnamen en titels. Dan volgen de gedichten, gespreid over 187 pagina’s. Achteraan een soort verantwoording, waarbij Henk van der Zuiden nog eens de namen van de dichters vermeldt, dit keer alfabetisch gerangschikt en met enkele bio- en bibliografische notities. Henk van der Zuiden biedt in Boem, paukeslag! gedichten aan die op een of andere manier met muziek te maken hebben. De samensteller koos niet alleen poëzie over het beluisteren van muziek

De tonen van het adagio klinken
door de koele kamer,
als regen die van bladeren en takken
drupt
in de strakke vijver van de avond.

(Anne Schipper, Mondschein-sonate)

maar presenteert ook gedichten over componisten, over uitvoerders en zelfs over zoiets concreets als hout, het materiaal waaruit sommige instrumenten worden vervaardigd (zoals Elly de Waard doet in Hout maakt muziek van bomen).
De samensteller laat een veelheid van Vlaamse en Nederlandse auteurs poëzie schrijven over alle mogelijke muziekvormen en -stijlen: van puur klassiek tot modern, van muziek tegen de leegte in je hoofd (Koos Geerds) tot het orgel op zondag (Fernand Florizoone).
Bart Stouten, op weg naar Wallonië, zit met Mozart achter het stuur. Abdelkader Benali luistert in het drukke verkeer in Beiroet naar Elvis Presley en Bertus Aafjes wijdt een gedicht aan Het Arabisch lied:

Een stem uit de Sahara opgeklonken
en die door duizend radio’s verspreid,
de stad verdoofd maakt en van droefheid dronken
en de gezichten vreemd en wit en wijd

De gedichten in deze bundel volgen elkaar lukraak op, in snel tempo. Achteraan in de bundel lijkt Henk van Zuiden dan wel enkele jazzgedichten te groeperen:

Hij had een zon, moeizaam bevochten, langzaam
zeker gevormde zon, koel als de spieren
van een lange-afstandzwemmer

(Remco Campert, Charles Christopher Parker, bijgenaamd vogel)

en

Jazz maakt veel los, of wakker,
beelden van abstracte schilderijen
films over Parijs, de jaren vijftig,
nachten uit je jeugd, en slaat je ook
met woorden om de oren: de warme
praatstijl van zwarte muzikanten

Coleman Hawkins en Lester Young

(Guy van Hoof, A love supreme)

maar we lazen onder veel meer ook Song for Satchmo van Roger M. J. de Neef en Scott Joplin, de master of ragtime van Jaap Harten. Deze bloemlezing is naar mijn smaak niet helder genoeg gestructureerd. Gedichten over het beleven van muziek, muziekstijlen en -genres, componisten, luisteraars en uitvoerders volgen elkaar op, in bijna willekeurige volgorde. Ook het ontbreken van een aanvullende paginaverwijzing in de alfabetische lijst achteraan en de summiere literaire duiding werken verwarrend. De vraag is daarom dan ook of de lezer zijn weg zal vinden in deze nochtans rijke verzameling muziekgedichten.

Boem, Paukeslag! – De mooiste muziekgedichten, Rainbow Essentials, Uitgeverij Maarten Muntinga, Amsterdam, 2011, ISBN 978 90 417 40816

(Nicole Van Overstraeten)

Opgezet spel

Het dichtersbestaan is niet bepaald spectaculair te noemen: eenzaam gedichten schrijven, ze met wat geluk gepubliceerd krijgen en voor wie graag een confrontatie met  publiek aangaat deze pennenvruchten lezen op poëzieavonden die maar al te vaak een conventioneel karakter hebben, al brengt een lichting dichters-performers al geruime tijd meer leven in de literaire brouwerij.
Het kan ook anders: met z’n vijven een dichterscollectief stichten – Het venijnig gebroed – met als uitgangspunt op een pretentieloze wijze het literaire landschap te verlevendigen. Dat is precies wat albrecht b doemlicht, Frederik Lucien De Laere, Ann Slabbinck, Denis S. M. Vercruysse en Jan Wijffels sinds 1997 nastreven.
Er verscheen al eerder werk van het vijftal in tijdschriften en bloemlezingen en één van hen, Frederik Lucien De Laere, publiceerde drie individuele dichtbundels: Paniek in het circus (2003), De martelgang (2006) en Secuur (2010), alle uitgegeven bij PoëzieCentrum. Bij dezelfde uitgeverij verschijnt nu voor het eerst een officiële bloemlezing met gedichten van de groep.
Wat we in de inleiding lezen klinkt bijna als een waarschuwing: met Opgezet spel wordt een poging ondernomen om een beeld te vormen van de dichtersgroep. Een röntgenfoto, want dit collectief is onlosmakelijk verbonden met het podium en de kleur van de aangename gekte die erop te vinden is. En ook nog: Het zijn podiumdichters par excellence, maar evengoed schuwen ze het hermetische gedicht niet.
Dit leest bijna als een verantwoording, alsof er te twijfelen zou zijn aan de kwaliteit van hun werk, alsof ze anders niet au sérieux zouden worden genomen? Van de kwaliteiten van Frederik Lucien De Laere waren we al overtuigd – het goeie nieuws is dat de poëzie van zijn kompanen niet minder boeiend is.
Wie nu precies welk gedicht geschreven heeft, ontdek je pas achteraan in de bundel, waar ook wat korte info staat over de deelnemers.
De gedichten zijn erg verscheiden, van vitaal en met een rock and roll gehalte tot meer ingetogen. Eén fragment, uit Babel van Denis S. M. Vercruysse:

5

en tussen al wat je voor me bent
ik hoor het mortel het melkzuur
een stadsduif in brand gestoken
krijst overheen onze hoofden

we zijn weg van en voor elkaar
de koelte van een bijenkorf
waar het zonlicht op soepele
glasramen regenbogen buigt.

Er zijn geen woorden meer
voor ons maar wees gerust

het is het uur waarop alles goedkomt
maar niks nog blijkt te werken
als alibi voor de liefde
in dit welgemeende litteken:

we zijn het allerlaatste allebei.

Het venijnig gebroed brengt poëzie op drum ‘n bass-avonden, op erotische beurzen, in jeugdherbergen, op festivals, in de kerk, op de kansel, in boksringen, op stellingen, in een opera, op een lijnbus, in een planetarium, als pizzabezorgers, tijdens een schaakwedstrijd,… lezen we in de inleiding. Misschien binnenkort bij u in de buurt? U bent gewaarschuwd! Intussen kunt u zich te goed doen aan hun Opgezet spel en met dat verblindend licht/ zo wordt de nacht weer uitgewist.

Opgezet spel, Het venijnig gebroed, Poëziecentrum, Gent, 2012, ISBN 9789056552459

(Roger Nupie)

Benoit had veel literaire vrienden

Er zijn heel wat mensen vertrouwd met de naam Peter Benoit. Dat kan ook bijna niet anders, want er zijn in Vlaanderen niet minder dan 62 straten naar hem vernoemd. Je hoeft echter geen moeite te doen om op straat mensen aan te houden en te vragen of ze weten wie Peter Benoit was. Zijn naam leeft dan wel voort, zijn werk amper. En dat is jammer, zeer jammer. Hij componeerde immers prachtige muziek, maar die overleeft maar mondjesmaat. Neem het Drama Christi, dat hij schreef bij de kruisweg die Godfried Guffens en Jan Swerts schilderden in de Sint-Joriskerk in Antwerpen: dat is niet eens verkrijgbaar op cd....
Patrick Verhoeven nu heeft zich ten doel gesteld om de aandacht voor Benoit aan te wakkeren. Onlangs verscheen zijn boek A propos Peter Benoit - Op stap met een groot Antwerpenaar. Zelden zo'n rijkelijk geïllustreerd boekje gezien. Van geboorte was de componist West-Vlaming. Hij zag het levenslicht in Harelbeke, op 17 augustus 1834. Hij bleef echter niet hangen in zijn geboortestreek. Zo bracht hij lange periodes door in de Kempen, Brussel en Parijs. Verhoeven biedt de lezer in zijn boek wandelingen aan langs plaatsen waar Benoit daar mee te maken heeft gehad. Het zwaartepunt ligt echter op Antwerpen, waarvoor hij vier wandelingen samenstelde. Behalve een Benoitstraat heb je in de Scheldestad ook Benoitmonumenten, zoals in het Harmoniepark en aan de Wapper. Voorts is er op Schoonselhof een indrukwekkend grafmonument te vinden.
Peter Benoit heeft een belangrijke rol gespeeld in het culturele bewustwordingsproces van de Vlamingen. Op 1 augustus 1867 werd hij directeur van de Stedelijke Muziekschool van Antwerpen. Vooral dankzij zijn inspanningen werd die in 1897 gepromoveerd tot conservatorium. Benoit, die ontmoetingen had met onder meer Franz Liszt en Richard Wagner, werd vooral bekend door vele liederen, oratoria en de Rubenscantate. Hij componeerde ook religieuze muziek zoals motetten, een Te Deum en een Requiem. Verhoeven heeft zijn routes voorbeeldig gestoffeerd met beslist niet voor de hand liggende illustraties. Dat er in een boek als het onderhavige portretten horen van illustere lieden als Constance Teichmann (Benoits mecenas in zijn begintijd) en muzikale collegae als Charles Gounod en Emile Wambach spreekt voor zich. Aardig in literair opzicht zijn de vele portretten en anecdokes die Verhoeven opdist over de vele letterkundigen waarmee de musicus samenwerkte. Want Benoit had heel wat literaire vrienden. Ik noem Pol De Mont, Frans Gittens, Emanuel Hiel, Theodoor Van Rijswijck en Jan Van Beers. Maar zij waren niet de enige dichters die teksten voor Peter Benoit schreven. Dat deed ook Julius De Geyter. Met A propos Peter Benoit - Op stap met een groot Antwerpenaar liet Patrick Verhoeven een liefdevol samengesteld boek het licht zien, waarmee het goed toeven is onder de leeslamp, maar waarmee je net zo gemakkelijk een aantal plezierige wandelingen langs door Benoit betreden paden kunt maken. Een aanrader!

A propos Peter Benoit - Op stap met een groot Antwerpenaar, Patrick Verhoeven, Pandora Uitgevers, 2011, ISBN 97890 5325 308 3

(Bert Bevers)

Jagen op pauwen

Een dichter als Adriaan de Roover is niet gemakkelijk in bloemlezingen terug te vinden. In Poëzie is een daad van bevestiging. Noord-en Zuidnederlandse poëzie van 1945 tot heden, gebundeld en ingeleid door Cees Buddingh' en Eddy van Vliet (1978) staat hij niet, maar in de recente bloemlezing Boem Paukeslag! samengesteld door Henk van Zuiden evenmin. In de – uiteraard – controversiële bloemlezing Hotel New Flanders. 60 jaar Vlaamse poëzie 1945-2005 kan men gelukkig drie gedichten van hem lezen. Een te verantwoorden keuze; een aantal dichters is oververtegenwoordigd, anderen kregen niet wat hen toekomt. Een goede bloemlezing vraagt altijd drie criteria: aanvaardbare selectie, evenwicht, eerlijke objectiviteit en benadering. Boekhandel annex antiquariaat Demian in Antwerpen nam het bewonderenswaardige initiatief om een nieuwe bundel van Adriaan De Roover uit te geven. In zijn gedicht Valavond, uit de door het Poëziecentrum in 1987 gepubliceerde bundel Ik ruik de sterren al noteerde hij: elk woord / verbergt zich / in een ander woord en dat typeert in zekere zin zijn poëzie. Deze dichter is eerder spaarzaam met woorden, economisch benut hij elk woord en springt hij van het ene over op het andere, het ene beeld grijpt zich vast aan het volgende. De gedichten in Enkelvoudig blauw bezitten deze eigenschap die er tegelijk de kwaliteit van uitmaakt. De Roover is nooit barok, vertelt geen lange verhalen, is geen schrijver die er alles wil uitgooien, nee, woord voor woord bouwt hij op. Hij zoekt zijn inspiratie vaak in het artistieke, zoals bij werk van Vic Gentils : stuk na stuk / bouwt hij zijn totems op / lat na lat/ plank na plank. De dichter is op zijn manier een beeldhouwer die zijn universum samenstelt net als Gentils met stukken van meubelen en wrakhout, die meteen verwijzen naar verloren gegane culturen zowel als naar vergane illusies. Maar precies met die kostbaarheden bouwt de beeldhouwer zijn barbaarse retabels. Ook in deze bundel enkele jazzgedichten met in de titels namen als Clifford Brown, Parker, Zoot Sims en Al Cohn. In jazz gaan gelukzaligheid en treurnis of blues vaak samen, en vormen ze één geheel van wisselende stemmingen en gevoelens : de geur van lipbloemige klanken / het kogelvrije geluk der zorgelozen, of Parker die herinnerd zal worden als a stoned loverman / die ruikt naar fried chicken / naar dure bourbon/ en veel goedkope vrouwen / die wankelend in zijn dronkenschap / als een hoer / zijn instrument bespeelt. In de cyclus Romaans staan korte gedichten vol kleur en suggestiviteit. Voorin zet hij een citaat van die andere dichter met een kleurdoos, Pierre Kemp. Adriaan De Roover is de alchemist van het woord, de rusteloze dichter / de zachtaardige dweper, hij is de tuinman / die in zijn verwilderde paradijs / op pauwen jaagt. Hij voelt zich elke dag twee dagen ouder (...) veroordeeld tot levenslang gedichten schrijven. Naakte, zuivere poëzie in een stijlvolle uitgave, een lust voor het oog.

Enkelvoudig blauw, Adriaan de Roover, Demian, Antwerpen, 2011, ISBN 9789081227346

(Guy van Hoof)

Wat een geluk

Gerry van der Linden, docente poëzie aan de Amsterdamse Schrijversvakschool, publiceerde acht dichtbundels. Wat een geluk is haar negende. Het kaft oogt vrolijk: auteursnaam en titel zijn verticaal geschikt, in art deco-achtig lettertype. De achtergrond is zachtroze, de letters rood, oranje, blauw, donkerblauw, groen, mauve.
Ondanks het speelse en kleurrijke van de verpakking is de inhoud van Wat een geluk intrigerend. Spontane, eenvoudige gedichten wisselen af met verrassend vakkundige poëzie. De auteur heeft haar gedichten in 4 cycli (van ongelijke lengte) ingedeeld: Agfa Clack bevat 6 gedichten, Altijd wonen 10 en  Als ik mensen zou opzoeken 9. De laatste cyclus, De handigheid van oordoppen, telt 22 gedichten.
Cyclus 1 bevat idyllische jeugdherinneringen. Een zomerse tuin, kinderen in een plonsbadje, fietsen, een schommel. Een gedicht over de winter, met als attributen: muts, oorwarmers, een besneeuwde trui, een rafelige wollen jas. Gerry van der Linden doorbreekt de illusie met absurde beelden:

de teil is bijna vol
de lucht plonst in de teil
vader is een havik op de rand

(Zomer 1957)

en:

Ze pakt de muts
kopt de sneeuw
in huis en gezelschap
oorwarmer in het slot
het tuinhek klikt

kom hier! heb ik je gezegd

(Winter)

In cyclus 2 wil de dichteres, ondanks haar gehechtheid aan familie en herinneringen, ontsnappen uit de cluster van de kindertijd. Zij wil de wereld verkennen, een plekje vinden voor zichzelf:

nog zijn er draden
overzichtelijk vroeger
weg was wat ik wilde weg
van hoe ze mijn naam noemden
zonder proeven wie er achter klonk

(Visser)

Dit proces is een strijd:

Zij heeft gevochten in het vooronder
(uitgemergelde schoot van voorouders)
vlot opgemerkt
hup! de oversprong gemaakt
[….]
ze heeft gevochten
weet niet meer waartegen
zachte krachten duwen
de artillerie opzij.

(Badwater)

 Na haar zwerftochten beseft de dichteres dat de illusie voorbij is. Zij voelt zich hulpeloos:

 ik fiets langs het water

ik hoor hulpgeroep
dat ben ik

(La vie en rose)

Toch klinkt in deze 3de cyclus niet het kind, maar de volwassen vrouw die haar leven stuurt en moedig incasseert. Haar vader sterft, haar moeder zoekt nog steeds de vermiste broer. Maar zoon Luan heeft dezelfde startklare mannenogen marmerkop als zijn vader.
In cyclus 4 waaiert het leven open. Diverse thema’s volgen elkaar op: liefde en vriendschap, ontmoetingen, de natuur, de zeedijk in Oostende, poëzie schrijven. In het laatste gedicht ironiseert Gerry van der Linden het geluk. Daarbij is poëzie een knoop in de tong, een peuk op de vensterbank, een kruisverhoor:

kijk!
poëzie zit
op een stoel aan een tafel onder een lamp
poëzie is een kruisverhoor.

(Wat een geluk)

De dichteres observeert en registreert, wikt en weegt, schrapt en verdicht. Zij schrijft associatief en trefzeker. Zij ervaart de onmacht tegenover de veranderende wereld en beseft dat liefdesbanden fragiel zijn en efemeer. Gerry van de Linden schreef een ietwat deconstructieve bundel, maar het uiteindelijke verhaal is levensecht en authentiek.

Wat een geluk, Gerry van der Linden, Uitgeverij Nieuw Amsterdam, Amsterdam 2012, ISBN 978 90 468 13225

(Nicole Van Overstraeten)

Virtualia. Teletonen

Het oeuvre van Sybren Polet heeft altijd in het teken gestaan van het taalexperiment, het zich losmaken van het traditionele en het zoeken naar tegendraadse vernieuwing. Op die wijze heeft hij zich een bijzondere plaats toegeëigend in de beweging van de Vijftigers. Controversieel en eigenzinnig heeft zijn werk dan ook alleen maar bejubelaars en verguizers. De bundel Virtualia. Teletonen is niet anders: of je laat na lezing van de eerste versregels de bundel voor wat die is, vol afschuw voor de niet aflatende stroom van neologismen en intellectualistische woordkramerij of je laat je onvoorwaardelijk meevoeren en onderdompelen in een ‘sprakeloze’ woordensymfonie, die een vaak huiveringwekkend toekomstig universum creëert. De auteur heeft altijd een dubbelzinnige en kritische verhouding gehad met de technologische vooruitgang, die onze maatschappij drijft. Een zeker cultuurpessimisme is hem niet vreemd. Ook in deze bundel heeft de inmiddels bejaarde Polet niets aan engagement en gedrevenheid ingeboet. Als een jeugdige stormram beukt hij op de ontmenselijkte vermarkting van onze samenleving. De beginregels zetten de toon: Rating van het mensdom gedaald / van AAA naar AA, A en A-. Alles & allen op naar het min-nul, ons aller eindbegin / en optimale zelfverevening in zeroïsche onschuld. Het doet onwillekeurig denken aan de laatste profetische versregels van die andere Vijftiger, Bert Schierbeek, in zijn onvolprezen bundel De andere namen uit 1952: en over ons allen valt de schaduw van de naamloze daden die aan ons worden gedaan van binnen en buiten ons zelf…
Polet beschrijft en herdicht op een fascinerende wijze een muterende werkelijkheid, de komst van een nieuwe (cyborg)mens. Verborgen dimensies, diepe orde. / De mutaties volgen elkaar steeds sneller op, / muteren elkaar en volvoeren eindspelen… De tijd is daarbij tegelijkertijd vriend en onoverwinnelijke vijand: Het tandenknarsend fijnmalen van tijd,/ het herkauwen. / Nultonige tijd, alle hertijd verterende.
Polet is één van die zeldzame dichters, die in staat is om het nieuwe technische jargon en cybertaal in te bedden in zijn poëtica. Hij doet dat  met een benijdenswaardig vanzelfsprekend raffinement. Saaie en vaak onbegrijpelijke woorden krijgen plotseling kleur en beweging in een nieuw contextueel geheel. Je digitale existentie gehalveerd / of misschien heel ergens anders opgeslagen,/ bijvoorbeeld / in een lichtjaren verre duistere nis / van een ontzagwekkend groot elektronenheelal…
Hij kneedt de taal, zet die naar zijn hand en herschept zo de realiteit. Voor wie de moed heeft om de wereld van Sybren Polet onbevangen binnen te treden en zich te laten meevoeren in zijn vaak apocalyptisch universum zal aan een fascinerende zoektocht beginnen naar zichzelf in een vervreemdende wereld. In zijn notities refereert Polet naar Four Quartets van T.S. Eliot, ‘In my beginning is my end’ uit East Coker, het kan aangevuld worden met die andere versregel uit The Dry Salvages, ‘We had the experience but missed the meaning, / And approach to the meaning restores the experience.’  Virtualia. Teletonen is een monumentale bundel van een grootmeester van de taal.

Virtualia. Teletonen, Sybren Polet, Wereldbibliotheek, Amsterdam, 2012, ISBN 978 90 284 24531

(Richard Foqué)

Boeiende vertalingen

Shang Ch’in (1930-2010) schrijft over het individu, gevangen in zijn eigen lichaam, geest en leefwereld, en de poging om daaraan te ontsnappen. Ondanks regels als geluk is datgene wat een mens wordt onthouden en ik heb vastgesteld dat ik aan gelukverbeeldingsgebrek lijd, is er in zijn werk geen spoor van sentimentaliteit en wrok te ontdekken. Leed en eenzaamheid zouden tot zwaarmoedigheid kunnen leiden, maar niet bij deze dichter die over een fijne humor beschikt en meer wil tonen dan het direct waarneembare, wat zijn werk een surrealistisch tintje geeft, al kiest hij zelf liever voor de term hyperrealisme. In de bundel zijn ook pentekeningen van de dichter opgenomen, en die zijn net als zijn poëzie (veelal prozagedichten): de uitdijende zinnen zijn hier kronkelende lijnen die uit herkenbare elementen bestaan maar toch een onwezenlijk karakter hebben.

Giraf

Toen de jonge cipier merkte dat de maandelijkse toename van de lengte van de gevangen bij elke lichamelijke inspectie in de nek zat, rapporteerde hij aan de directeur: Meneer, de ramen zitten te hoog! Maar het antwoord dat hij kreeg was: Nee, ze kijken uit naar de tijd.

De goedhartige jonge cipier kende het gezicht van de tijd niet, wist zijn geboorteplaats niet en had geen idee van zijn verblijfplaats; daarom patrouilleerde en waakte hij elke nacht in de dierentuin, voor het hek van de giraf.

“Dat is de dichter én de mens Shang Ch’in ten voeten uit: melancholiek en toch glunderend,” schrijft vertaalster Silvia Marijnissen terecht bij dit gedicht in haar nawoord.
Zij vertaalde tevens poëzie van Hsia Yu (1956). Als kattenogen is een bloemlezing uit het werk van een dichteres die bladzijde na bladzijde blijft verrassen. Ze studeerde film en toneel (iemand / heeft ooit de film uitgevonden alleen om de kamer / te verdonkeren) en schrijft popsongs en filmscenario’s. Zij speelt schaamteloos met clichés over mannen en vrouwen:

Algemeen bekend

een vrouw
bloedt
eens per maan
begrijpt de taal der slagen
is geknipt voor verrassingsaanvallen
ongeschikt voor afspraken

Hsia Yu steekt al eens de draak met de dichterlijke authenticiteit (Ploert I) en experimenteert met de mogelijkheden van de taal (“Extreme taalexperimenten waarin ze onderzoekt wanneer taal ophoudt taal te zijn, of taal ooit ophoudt taal te zijn”, schrijft de vertaalster in haar nawoord). Uit In den beginne was het woord:

6

natuurlijk zijn er andere woorden
die nooit hebben gewacht op wat dan ook
voor gelegenheid waarin ze ingelegd konden worden
en het is onmogelijk te weten of ze wachten
wachten op iemand zoals ik
die ze dwingt het begin van een gedicht te worden

7

die gedichten
ik merk dat ze veranderen met het licht
als kattenogen

Een pluim voor vertaalster Silvia Marijnissen en Uitgeverij Voetnoot om deze dichters in het Nederlands bereikbaar te maken met deze fraai vormgegeven bundels.

Ontsnappende hemel, Shang Ch'in, vertaling en nawoord: Silvia Marijnissen, Uitgeverij Voetnoot, Amsterdam, 2012, ISBN 9789078068884; Als kattenogen, Hsia Yu, vertaling en nawoord: Silvia Marijnissen, Uitgeverij Voetnoot, Amsterdam, 2012, ISBN 9789078068877

(Roger Nupie)

Hiel opnieuw in de belangstelling

Het Willemsfonds publiceerde een wat op de cover vermeld staat kort en eigenzinnig essay over de emancipatie van de Vlamingen te Brussel, aan de hand van de biografie van Emanuel Hiel, een vergeten Dendermondse dichter. Vrij onbekend misschien wel, maar niet helemaal vergeten want Dr. Emiel Willekens, in 1984, schreef een boek over hem. De auteur van dit nieuwe essay, Alistair Dempsig, heeft al lang belangstelling voor de problematiek van de Vlamingen in onze hoofdstad. Dit is geen saaie levensbeschrijving, maar Hiel is dan ook een dankbaar onderwerp! Dempsig gaat vooral in op de ontvoogdingsstrijd en emancipatie, die niet zonder slag of stoot verliep. Hiel (1834-1899), geboren in Dendermonde, was liberaal progressief, dichter en verdraagzaam flamingant en hij ging om met vele bekende figuren van die periode. In Brussel stichtte hij het Willemsfonds, dat hem af en toe dus vanonder het stof van de tijd weer tot leven brengt en herdenkt. Samen met Conscience, Benoit en Julius Hoste zette hij zich met hart en ziel in voor onze taal en de emancipatie via het onderwijs. Dempsig heeft tal van details en achtergrondinformatie opgediept en slaagt erin de tekst altijd boeiend te houden. Het zal diegenen plezier doen die het culturele leven in Brussel genegen zijn en hen meer inzicht verschaffen. De politieke en culturele situatie in de tweede helft van de 19de eeuw in de hoofdstad is nog nauwelijks voor te stellen: 90 % van de bevolking was Vlaming maar dan wel ongeletterd en Brussels pratend, terwijl de burgerij en de administratie Franstalig waren. Er was geen algemene taal die boven de veelheid van dialecten stond. Hiel begon naam te maken als dichter, werkte vooral samen met Benoit en profileerde zich duidelijk als een militante Vlaamsgezinde en vrijmetselaar. Zijn fysieke verschijning was voer voor karikaturisten. Hij veroverde mét Peter Benoit Parijs naar aanleiding van de opvoering van Lucifer en daarover valt hier een boeiend relaas te lezen. Dempsig is kritisch genoeg op het gebied van de kwaliteiten van het poëtische oeuvre dat Hiel naliet, maar tekent hem levendig en als een opvallende figuur in het artistieke leven van zijn tijd, een voorvechter voor de Nederlandse taal en de gerechtvaardigde eisen van de Vlamingen. Voorheen werd er in het Frans les gegeven en het Vlaams-Nederlands kwam pas in het vijfde jaar aan bod en dan nog maar één uur per week. Het vijfde jaar was meestal ook het jaar dat arbeiderskinderen de school verlieten om in de fabriek te gaan werken of om leerjongen te worden. Willem I had beslist dat het Nederlands de taal van de overheid moest worden in Brussel, maar door gebrek aan een politieke consensus veranderde er niet veel. De rol die Emanuel Hiel speelde moet in de herinnering blijven en deze uitgave is zonder meer een cultureel-historisch document dat hem de eer gunt die hem toekomt.

Emanuel Hiel. Essay over de emancipatie van de Vlamingen te Brussel, Alistair Dempsig, Brussel, Willemsfonds Brussels Hoofdstedelijk Gewest en Schaarbeek-Evere, 2011

(Guy van Hoof)

Een boeiende zoektocht

Toen Albert Hagenaars in 2007 de Sakko-prijs voor Kunsten en Letteren ontving werd erop gewezen hoe Hagenaars in zijn proza en poëzie de werkelijkheid niet altijd beschrijft hoe ze is, maar vooral hoe ze zou kunnen zijn of beleefd zou kunnen worden. In zijn nieuwe bundel Bloedkrans doet Albert Hagenaars dat 80 gedichten lang, ingedeeld in 4 cycli van telkens 20 gedichten. De kleur rood, kleur van het bloed, is het leidmotief doorheen de bundel. Het is de kleur, die in alle culturen de krachtigste symboliek meedraagt. Ze staat zowel voor liefde, hartstocht en seksualiteit als voor gevaar, oorlog en dood. De auteur gebruikt deze symboliek bewust in al haar gelaagdheden en betekenissen. De 4 cycli evolueren –zoals de titels aangeven- van het oranjeachtige lichtrode vermiljoen over het vol rode karmozijn, het dieprode scharlaken naar het purper. Het is de bloedkrans, de cirkel rond het leven en de afkomst, van geboorte naar dood, zoals in de laatste versregels van de bundel: Hoe diep begraven in mijn moedertaal,/ hoezeer onttrokken aan de bloedkrans / lijkt nu, voortwoekerend in nieuw leven, / de goedertieren dood. De auteur aanvaardt maar is tezelfdertijd hoopvol: er zal altijd nieuw leven zijn. Dit optimisme, hoe donker sommige gedichten ook zijn, spreekt uit de ganse bundel.
In Bloedkrans ontvouwt zich een leven, dat ergens begint op het platteland in het katholieke Brabant en uitwaaiert naar de wereld in vele reizen. Is het autobiografisch? Is het verzonnen? Eigenlijk doet dat er helemaal niet toe. Zonder twijfel put Albert Hagenaars uit zijn herinneringen en ervaringen, zonder twijfel verwoordt hij eigen emoties, verwerkt hij wellicht traumatische gebeurtenissen, maar in elk gedicht transcendeert hij zijn eigen positie naar een algemeen menselijk ervaren. Hij noemt concreet namen en gebeurtenissen maar ze worden irrelevant ten aanzien van de universele context waarin ze worden geplaatst:
Insulinde / Zo werd hier gedorst, kaf van rijst / waaide in wolken op tot in onze hof, / bedekte vader en moeder / … / Toen ik eindelijk aangekomen was, / eiland na eiland, naam na naam / moest gaan verbinden, man en vrouw, / nam jij het over: het aftellen begon.
Begenadigd schrijver als Albert Hagenaars is, weet hij als geen ander de taal te bespelen. Geen kunst en poëtisch vliegwerk hier maar een afgewogen beeldspraak, rijk aan ritme en klanken. Geen barokke overdaad van gestapelde bijvoeglijke naamwoorden maar dwars door de ziel snijdende zinnen, die blijven branden. rood in het hart maar luchtig al lezende: Achter de schuren, de geteerde keten, / vond het andere leven plaats. / Daar ritselde het, en dan weer was het soms stil, /… / en ik wist, hij had gelijk, de kapelaan: alleen wat wij kunnen zien verdwijnt.
Albert Hagenaars maakt in Bloedkrans haast op een natuurlijke wijze het vertrouwde vreemd en het vreemde vertrouwd. Het maakt de bundel tot een boeiende zwerftocht door een levensloop, waarin elke lezer eigen stapstenen zal ontdekken.

Bloedkrans, Albert Hagenaars, In de Knipscheer, Haarlem, 2012, ISBN 978 90 6265 675 2

(Richard Foqué)

Blinde gedichten verrassend

Met de publicatie van Blinde gedichten zorgde Delphine Lecompte voor een totale verrassing. Wat dadelijk in deze (haar derde) bundel opvalt is dat zij geen korte gedichten schrijft. Het zijn allemaal breed uitgesmeerde boterhammen, voorzien van een rijk geassorteerd beleg. De lijvige bundel van 128 pagina’s bevat vijf delen.
De titel van het eerste Het Kwade Amen is echt niet kwaad bedoeld, maar veeleer realistisch. De dichteres schrijft haar gedichten in de ik-vorm, maar het resultaat heeft helemaal niets met belijdenispoëzie te maken. Zij schrijft ogenschijnlijk realistisch getekende fragmentaria, die echter de weergave zijn van een eigen creatief realisme. Zo creatief dat ik het een vorm van crealisme zou willen noemen. Zij schrijft beschrijvend en beklijvend. Er komen tevens vreemde figuren in haar gedichten voor, zoals de oude kruisboogschutter en er worden indringende vragen gesteld, waarop adequate antwoorden volgen, die echter net zo goed onderling verwisselbaar zijn, We worden geconfronteerd met een poëtisch credo, een doorleefd traktaat. Je zou het ook een traktaart kunnen noemen.
In het tweede deel Kind van kinderen, geschreven in dezelfde authentieke stijl, komen vooral de ouders aan bod. Zowel de moeder als de vader en het lijkt een beetje op een afrekening, maar niets is minder waar. De ober heeft niet alleen zijn briefje verloren, ook het rekenmachientje is stuk. Ironie, sarcasme en zelfspot, het zit er allemaal in verwerkt, maar op een listige manier. Het speelse spel is een bloedernstig spel en sierlijke strikken maskeren valkuilen en schietgeweren.
Deel drie, dat Terug naar straffeloosheid is getiteld, bevat erg weerbarstige gedichten. Je moet niet alles geloven en je moet niet alles begrijpen om iets mooi te vinden. Raadsels boeien, raadsels bloeien. Soms kan het ook bloeden zijn. Zoals humor soms doet schateren om wat later heel erg schamper blijkt te zijn.
De lezer weet nu reeds dat veel Tegen beter weten in is, de titel van het vierde deel en opnieuw staat er dikwijls niet wat er staat, al speelt veel zich af op de kermis, of aan zee, of in bed, maar zelfs de doden blijven proper. Ook verkrachtingen worden vermeld, maar hoegenaamd niet uitgeprobeerd of beschreven. Daarvoor is de uitbater van het spookkot te rechtvaardig. In dit deel lopen ook veel moeders en vaders af en aan, maar ja, die willen zich toch met alles moeien.
In het laatste deel Wie niet weg is is geschoten / Wie niet tam is is gezien leren we onder meer dat de show niet mag doorgaan en dat kinderen gênante volwassenen worden. Mooi en levendig, maar soms had de dichteres toch een en ander mogen schrappen: Marcella zegt dat ze naar de visboer gaat om pladijs te kopen / Mijn grootmoeder snauwt dat het haar weinig kan schelen / Het kan mij eerlijk gezegd ook niet boeien. Wanneer ik eerlijk ben, zijn we met zijn drieën. Maar toch, Blinde gedichten blijft een prachtige dichtbundel.

Blinde gedichten, Delphine Lecompte, Bezige Bij, Antwerpen, 2012, ISBN 978 90 8542 345 4

(Tony Rombouts)

De tuinen van Thevenet

Een bundel door een vrouw geschreven (eindelijk), een veld met bloemen op de cover (gemakkelijk), een karakteristiek paarse kleur (kom nou) en dan de titel… Wat zal dit worden?
Meteen na de eerste kennismaking en de eerste grondige doorlezing, valt de maturiteit van de schrijfster op. Gedicht na gedicht brengt de poëzie je in de verleiding; dit is gaaf werk. Qua structuur is de bundel goed gebalanceerd, stevig opgebouwd en elke cyclus trekt zijn eigen spoor. De inspiratie, die Nicole Van Overstraeten vond, ligt enerzijds bij beeldend werk (dat zij bewondert neem ik aan) en anderzijds in de tableaus van eminente kunstenaars als Hopper en Thevenet. Het resultaat van zoveel inspanning zijn gedichten die het louter visueel beschrijvende grotendeels overtreffen. Nicole Van Overstraeten heeft het vak van het dichten zonder meer onder de knie. Ze kent beslist haar metier en concentreert zich op haar sterktes: originele invalshoeken, afgelijnde woordrelaties, weloverwogen adjectieven en harmonieus parende verzen. Ze kneedt ‘gewone’ woorden tot verrassende metaforen, ze toont hoe de parlando-stijl extra waarde kan scheppen. Ze schrikt er niet van terug om diverse stijlen te hanteren. Zo staat ook het prozagedicht stevig in deze bundel. Ter illustratie daarvan hier een fragment:

Orp

we zijn dus weeral zover, zover zijn we gekomen.
in dit prachtig chromaatgroen ardens dorp
met de even prachtige naam orp, onooglijk op de kaart
(een trollennaam, zegt n. en kijkt daarbij bedenkelijk),
te midden van boomgaarden, bossen, koeien en boerderijen,
druilen hier de ochtenden als milkshakewolken.
vanmorgen vroeg holderdebolder – wie slaapt hier op zolder ? –
de blauwgeschilderde trap afgehotst en ons ervan vergewist,
vrouw appel, of wij bij het ontbijt aan je sappig vel
kunnen knabbelen, of wij met onze heksentanden
(bobbellippen, tepeltong) kunnen raken aan jouw veredeld
couperosehuidje, rood rozig rafelsatijn, opgepoetst fluweel.

Langsheen emoties van twijfel, zoeken, fragiliteit, doorzettingskracht en intimistische erotiek zet deze dichteres mooie pluimen - die ze meer dan verdient- op haar hoed. Ze recycleert sterke persoonlijke ervaringen tot universele beeldspraak die haar poëzie in kracht doet toenemen. Ze gebruikt passende alliteraties en nooit storende binnenrijmen. Ze experimenteert met interpunctie en lapt conventies aan haar laars, omdat het op dat moment moet, mag en beter maakt. Haar beeldspraak is afhankelijk van haar noodzaak, vaak gul en dan weer wat frugaal. Aan deze bundel is gewerkt en dat verdient onze oprechte attentie. Dit boek is geen vlug samenraapsel. Hier werden geen bureauladen leeggeroofd om gedreven door ijdelheid, uiteindelijk tot een bundel te komen. Nicole Van Overstraeten put haar inspiratie uit diverse bronnen. Werkelijk alles lijkt bruikbaar voor haar: van schilderijen via vakantieherinneringen tot zelfs reality-shows. Deze dame bewerkt haar gedichten als een diamantslijper die met kennis van zaken tot de kern komt en een juweel achterlaat. Haar bescheiden gedichten verdienen trompetgeschal. Deze bundel zet aan tot respect en de erkenning van een talent; de bloempjeskaft ten spijt… Wie zei ook weer Never judge a book by its cover?

De tuinen van Thevenet, Nicole Van Overstraeten, Demer Uitgeverij, Diepenbeek, 2012, ISBN 978-1-4709-3398-2

(Frank Decerf)

Op safari met Glen Baxter

De in Leeds geboren Glen Baxter (68) heeft een nieuw boek uit. Dat werd weer eens tijd. De cartoonist debuteerde in 1979 met Atlas, bij de Nederlandse uitgeverij De Harmonie, waar nu ook Colonel Baxter's Dutch Safari het licht zag.
In de loop der jaren bouwde de Engelsman een stevige reputatie op. Hij exposeerde ondertussen over de hele wereld (onder meer in de grootsteden Londen, New York, Parijs, San Francisco en Tokio), en zag zijn tekeningen gepubliceerd in gerenommeerde tijdschriften als The Independent on Sunday, The New Yorker, Vanity Fair en Vogue.
Het is zoals immer een groot genoegen zijn werk, vrijwel steeds goed voor een glimlach of grijns, te bestuderen. Hij kan best aardig tekenen, maar de facto eigenlijk niet echt werkelijk goed. Het lijkt wel of hij zijn stijl reeds vond als middelbare scholier, en daaraan steeds vast is blijven houden. Zijn tekeningen, die passen in de school van de zogenaamde Klare Lijn, ogen hier en daar zelfs wat houterig maar o, wat zijn ze toch charmant. Glen Baxters kracht ligt echter niet zozeer in die tekeningen, als wel in de combinatie daarvan met de tekst. Die oogt in se meestal 'normaal' maar zorgt samen met de afbeelding voor een verfrissend absurdisme.
Sedert zijn debuut heeft de Engelsman altijd een boontje voor Nederland, het land waar hij werd ontdekt, gehouden. Dat blijkt overduidelijk uit deze uitgave die op iedere linkerbladzijde een bizar Delftsblauw tegeltje toont, en op elke rechter een prent waarin haringen, tulpen en werk van kunstenaars als Theo van Doesburg, Piet Mondriaan en Gerrit Rietveld figureren.
Naar het oeuvre van Gerrit Rietveld verwijst hij overigens opvallend dikwijls. Vaak tekent hij in een stijl die doet denken aan oude westernstrips. Zo is er een saloon te zien met de naam Wetering Galerie waarvoor twee paarden staan vastgebonden met op hun rug geen zadel maar zo'n typische Rietveldstoel. Het onderschrift: The situation looked serious. The Rietveld Gang was back in town.
Elders zie je drie bevers aan een Rietveldstoel knagen. De titel: Trouble in the Design Museum. Onder een schemerlamp zit een man met klompen aan en een papiertje in de hand met voor zich twee (letterlijk: met touwen!) geboeide jongeren: "Welcome, my friends to another evening of Dutch poetry."
Het voert in het kader van een korte bespreking als deze te ver om te veel uitleg te geven, maar wees er van overtuigd dat wie van ’s mans werk houdt ook deze keer niet zal worden teleurgesteld.
Je moet om het oeuvre van Glen Baxter te smaken zeker over een bepaald gevoel voor humor beschikken, maar indien dat het geval is valt er enorm veel plezier aan te beleven. Het voorbeeldig vormgegeven boek bevat een inleiding van de curator van The Dutch Glen Baxter Museum, niemand minder dan Wim de Bie (die bij de oudste bewonderaars van het werk van Baxter hoort). De moeite waard!

Colonel Baxter's Dutch Safari, Glen Baxter, uitgeverij De Harmonie, Amsterdam, 2012, ISBN 9 789061 695325
 
(Bert Bevers)

Kerouac blijft keigoed

Jack Kerouac hield van zwerven en jazz, hij voelde zich soms één met de kosmos en soms ook beangstigd religieus. In zijn inleiding bij de roman Eenzame engelen staat dat zijn stijl niets gezochts had, niets artificieels, geen berekening of onwaarachtigheid. Zijn levenskracht of -lust werkte en werkt aanstekelijk, zijn jongensachtigheid blijft ons vertederen. Hij stelde het leven voor de literatuur of maakte van (be-)leven en schrijven één allesomvattend geheel. Als een kunstenaar die schetsen maakt zat hij overal iets neer te schrijven, notities en ervaringen en dat groeide uit tot een caleidoscoop van gebeurtenissen en een handleiding voor een bepaalde manier van existeren, onconventioneel en gekant tegen academisme, zonder regels of beperkingen.
De boeken van de zogenaamde Beat Generation (waarvan Kerouac met onder meer Allen Ginsberg en Gregory Corso deel uitmaakte) waren dan ook bevrijdend, in meer dan één opzicht: (...) wanneer critici en leraren zich de rol van wetgevers pogen aan te meten zullen zij uiteindelijk heel hun macht verliezen, met hun pogingen om anderen geestelijk te castreren. Kerouac bezat een brede kennis, belezenheid en hij groeide uit tot een James Dean van het woord. Maar hij zelf was de bezieler en gangmaker van een beweging en een stijl. Een stijl die doordrongen was van actie, reizen, jazz, literatuur en schilderijen, naast mediteren en religie. Maar deze Frans-Canadees of Kanoek beleed net zo goed zijn liefde voor de natuur, mens en maatschappij, altijd gevoelig, leergierig en nieuwsgierig. Als zwerver trad hij in de voetsporen van Jack London, als schrijver moest hij zich eerst de taal eigen maken en een stem vinden om zich uit te drukken. Als kind was hij verlegen, later ontpopte hij zich tot een goed student met een hoge graad van intelligentie. Hij sloot bizarre literaire vriendschappen, verdiepte zich in wereldliteratuur zowel als in boeddhisme, schreef haiku's en verdiende een blijvende plaats met de romans On the road en The subterraneans. Zijn eerste roman verscheen al in 1950, nog onder de invloed van Thomas Wolfe. Het onderbewuste, een stroom als een innerlijke ontdekkingstocht maakten van hem een tovenaar met de taal. Veertien romans die de dwaasheid van de wereld onder de loep nemen en niet, zoals Proust, het verleden tot leven brachten maar juist de hartslag van zijn tijd beluisterden en autobiografisch weergaven.
Een soort J.J. Rousseau die lijden en loutering verenigt. Menselijkheid stond hoog in zijn vaandel. De mooi verzorgde bundel gedichten, blues, haiku's en schetsen, door Uitgeverij Nadorst gepubliceerd, toont aan dat eigenlijk alles wat Jack Kerouac schreef poëzie was, een dagboek vanuit het hart. Deze aan te raden bloemlezing van een van de meest authentieke schrijvers van de 20ste eeuw kan een aanzet zijn om meer te lezen. De zichtbare en de onbegrijpelijke ongrijpbare wereld, vol tegenstellingen: Denken is net als niet-denken- Dus hoef ik nooit meer / na te denken. Een bundel om te koesteren !

Verzen, schetsen, haiku's & blues, Jack Kerouac (verzameld en vertaald door Joris Lenstra), Uitgeverij Nadorst, Rotterdam, 2011. ISBN 978-94-90338-04-6

(Guy van Hoof)

Een bidon met Zen

Miel Vanstreels is de huisdichter van W.I.L. (Wielrennen in Limburg). In deze bundel brengt hij verslag uit van en over zijn fietstochten: 29 teksten, 36 bladzijden. Iedere tekst is voorzien van een titel die zelfs bij veel niet-sportliefhebbers een belletje zal doen rinkelen: Oude Kwaeremont, Mont Ventoux, Col du Tourmalet, Alpe d’Huez…
Miel Vanstreels noemt de teksten: fietshaiku’s. Dit wijst er op dat wij niet echt met haiku te maken hebben maar met teksten in haiku-vorm, die over fietsen gaan. En inderdaad, een klassieke haiku zult u niet vinden in deze bundel. Onmiddellijk moest ik denken aan wat Kuwabara Takeo in 1946 in Sekai Magazine schreef: “Er bestaan geen objectieve normen om de kwaliteit van haiku te beoordelen.” Als men deze stelregel aanvaardt, is er geen enkel probleem. Alhoewel de meeste ervaren haikudichters moeilijkheden hebben om hier over haiku te spreken. De typische haiku vertrekt van een natuurbeeld en roept daardoor een moment, een gevoel van schoonheid op.

Winterkaal verhaal -
geen struik meer om ongezien
de blaas te legen.

Deze tekst is een van de voorbeelden hoe de auteur zijn fietsbelevenissen verwoordt. Zij kunnen de lezer wel een glimlach ontlokken maar meer dan dat niet.

Mijn broer rijdt weer o
zo hard - kreeg één van ons maar
een lekke tube.

De lezer begrijpt uiteraard deze tekst onmiddellijk maar een haiku-moment is ver te zoeken. De schrijver had mijn inziens een andere omschrijving voor zijn teksten gekozen, bijvoorbeeld Korte reisindrukken op de fiets. De lezer zou het bundeltje met plezier doornemen en niet met het wrange gevoel zitten: haiku of geen haiku? De titel van het boek doet ons vermoeden dat wij een aantal zen-wijsheden te lezen krijgen. De zen-boeddhist zal hier en daar genieten. De gewone sterveling zal, als hij moeite doet, af en toe dieper nadenken over deze speelse teksten.

Afstapverdriet - iets
wat je regelmatig
in toertochten ziet.

Het is heel gewoon dat niet-ervaren wielertoeristen bij het beklimmen van een van de reuzen uit de Tour even moeten afstappen. Bij het verder denken kan men deze tekst ook toepassen op het leven. Hoe vaak moet men als volwassen mens afstappen, stil blijven staan. Verdriet verwerken.

Klarend water -
hoe beter de benen hoe
mooier het geluid.

Wanneer heeft de mens tijd om te genieten van de natuur? Om gewoon rond te kijken naar de eenvoudige dingen rondom ons? Alleen als het goed gaat met ons, wie in de miserie zit heeft geen oog voor een ontluikende bloemknop, of voor merelgezang op een zachte meiavond. Hier heeft de fietser goede benen, het fietsen is een plezier, hij heeft tijd om te genieten van het fietsen, van datgene wat hem omringt. Soms is het beter helemaal niet na te denken en gewoon te ondergaan. Zich niet druk te maken voor iets waar je toch niets kunt aan verhelpen:

Geen mens meer te zien -
een kudde lome schapen
regelt het verkeer.

Een bidon met Zen, Miel Vanstreels, Uitgeverij Calbona, Rotterdam, 2012, ISBN 978-94-91254-30-7
 
(Ferre Denis)

De stamboom van Hooyberghs

Deze mooi uitgegeven bundel is verdeeld over de cycli: Stamboom, Naast me, Kleur, Wie zee hoort en Envoi. De gedichten die ik met veel graagte mocht bespreken zijn ritmisch en streng afgebakend. De dichter houdt de teugels in de hand en controleert zijn ontboezemingen. De krachtige metaforen verschijnen in sober spaarzame woordselecties, waarin vooral de aparte associaties de lezer doen stilstaan. Hooyberghs houdt van het enjambement en laat hier en daar wat vergeten woorden uit hun as herrijzen. Hier is geen sprake van, wat ik zou noemen, consumptiepoëzie, geen vlugge hap uit een alledaagse woordenbrij want hier is de nasmaak te sterk, de afdronk nodig en de restwaarde genietingvol. Visueel lijken de gedichten klassiek, maar dat is een trompe-l’oeil. In de cyclus Stamboom speelt nostalgie haar rol. In Naast me vond ik tijdloze verzen over de liefde, het gemis aan menselijke warmte en vooral de vertwijfeling om wat nog komen moet. De dichter wil waarschuwen en speelt zijn rol als radar voortreffelijk. Hij houdt zijn woordenpalet strak in toom en bewaakt de helderheid en de ongebonden, tijdloze waarheid. Hij schikt de puzzel tot een mooi panorama.

Dooien

Krimpend van genot, vol
vertrouwen in het lichaam
dat naast het mijne
de nachten tart
word ik wakker als sneeuw
voor de zon. Zo verglijdt
de winter in zijn brakke plas
van tweezaamheid.
Met dooien is het nu
wel genoeg geweest.
Rest nog het dorre van de spar
die op de buurvrouw druipt
het schorre van de zwarte vogel
die aast op restjes kaas.

In Kleur passeren ook diverse plastische kunstenaars de revue. Zo inspireerden Rothko, Cranach, Friedrich en Kandinsky. Verder zijn er reisgedichten zoals Paestum, en impressies op de lievelingsmuziek van de dichter. In Wie zee hoort zorgt René Hooyberghs voor een caleidoscoop waarvan de betekenis mij ontgaat. Ik meen dat de dichter het hier wil hebben over de moeilijkheid van de schrijfact, het creëren, het traag wikken en secuur afwegen, het kappen en de overtollige ballast schrappen, de langzame groei van het gedicht. Maar ik kan verkeerd zijn. Misschien verwoordt Hooyberghs de struggle for words waarmee de dichter te kampen heeft om als uiteindelijke overwinnaar tot een gaaf einde te komen, een goed gedicht als beloning voor zoveel inzet, zoveel arbeid. Maar laten we naar de dichter luisteren en hem zelf aan het woord laten komen: Na twee vroege bundeltjes zoek ik, decennia later, terug aansluiting bij het peloton. Tijdens die decennia: de omzwervingen van de rusteloze, het slopende van het materiële. Ook die vinden hun weerslag in de woorden die hier staan. Liefde en dood, wat anders zou de pen bewegen? Ik doop ze in de warmte die ik rond mij vind, en in het ijle van wat niet te mijden valt.
Wat mij betreft heeft René Hooyberghs na al die tijd wel weer aansluiting gevonden bij het peloton, hij trappelt rustig mee. Zijn fiets is duidelijk anders, maar haalt de nodige snelheid…

Stamboom, René Hooyberghs, Uitgeverij C. de Vries-Brouwers, Antwerpen/Rotterdam, 2011, ISBN 978-90-5927-288-0

(Frank Decerf)