Meervoud van blauw

Van 23 november tot 28 december 2012 liep in Galerie Charlotte van Lorreinen in Tervuren een tentoonstelling van recente tekeningen en schilderijen van Lucienne Stassaert. Roger de Neef schreef boeiend over haar plastisch werk. Sinds 1964 schrijft Stassaert proza en poëzie en is ze uitgegroeid tot een van de belangrijkste dichters in het Nederlandse taalgebied. Ze vertaalde Emily Dickinson (Goedemorgen, Middernacht) en Sylvia Plath (Mijn uren zijn met schaduw gehuwd en Zie, de duisternis lekt uit de scheuren) en wijdde een hertaling aan Hadewijch: Minne is wonderzoet in al haar stormen.
Haar werk werd meermaals bekroond: Poëzieprijs van de Vlaamse Gids (1974) voor Vergeten grens, Visser-Neerlandiaprijs (1975) voor het toneelstuk Best mogelijk, Poëzieprijs van de Vlaamse Poëziedagen Deurle (1977) voor De sprekende gelijkenis, Arkprijs van het Vrije Woord (1979) voor de roman Parfait Amour en de Provinciale Prijs voor Letterkunde (1994) voor de dichtbundel Naar Emily. Na haar eerste expositie, in Celbeton in Dendermonde in 1966, is zij ook als beeldend kunstenaar al die jaren actief gebleven.
Uitgeverij P presenteerde op de tentoonstelling in Tervuren een artisanaal vervaardigd en uitklapbaar art book met links een aantal persoonlijke documenten van de kunstenares, onder meer haar verwelkoming, waar ze haar werk omschrijft als: Tekens als signalen in een steeds wisselende ruimte waarin mensen onderweg zijn om hun droom waar te maken of de eenzaamheid te misleiden.
Rechts zit de monografie van dichter-essayist Roger de Neef, een uitmuntende analyse van en beschouwing bij het plastisch werk van Stassaert. De Neef heeft een schitterende tekst geschreven rond kernpunten in haar beeldend werk, als daar zijn de herkenbare stijl, het handschrift en de sfeer; haar zoektocht naar de condition humaine, naar het menselijk tekort, waardoor ze raakvlakken heeft met beeldende kunstenaars als een Alberto Giacometti, met theatermakers als de Ier Samuel Becket, aldus Ernest van Buynder, voorzitter van de Vrienden van het MuHKA, in zijn inleiding op de vernissage.
Roger de Neef zelf vermeldt: Met deze bondige monografie heb ik de bouwstenen, personages en ook het schemergebied aangereikt, waarmee de picturale ruimte van Lucienne Stassaert – als vanuit de herinnering – tot leven komt. Wanneer je voor haar werk staat, ervaar je een stilte die je ook kan bekijken. Terzelfder tijd word je de schaduwen gewaar van die stilte die je onzichtbaar maken.
Achtentwintig kleurenreproducties, elk op een apart blad, geven een mooi overzicht van 1959 tot op heden. In beperkte oplage verscheen tevens een luxe-editie, met een originele tekening van de kunstenares en een hommage-ets van Kris Vanhemelrijck, die tevens voor alle foto’s van de werken van Stassaert zorgde. Hoe de personages in het plastisch werk van Stassaert op weg zijn hun droom waar te maken en/of hun eenzaamheid te misleiden, in een schemergebied waar alleen het geluid van de stilte opdoemt: dat verhaal van een dubbeltalent is voortreffelijk in woord en beeld vastgelegd in Meervoud van blauw, een prachtig collector’s item.

Lucienne Stassaert - Meervoud van blauw, Roger de Neef, Uitgeverij P, Leuven, 2012, ISBN 978 94 91455 13 1

(Roger Nupie)

Malou van de mussen

Voor haar roman ¡Dolores? ontving de Antwerpse Noëlla Elpers de Thea Beckman-prijs, de Kleine Cervantes en de Boekenleeuw. Ook stond het boek op de shortlist van De Gouden Uil. Vorig jaar werd het vervolg Vuurkraal genomineerd voor de Thea Beckman-prijs. En dan is er nu Malou van de mussen, dat de lotgevallen verhaalt van het Antwerpse meisje Marie-Louise, kortweg Malou.
Wat het verhaal betreft citeer ik de flaptekst: ‘Begin zeventiende eeuw. Tijdens de godsdienstoorlog in de Nederlanden is Malou met haar moeder uit Antwerpen naar Roosendaal gevlucht. Als de Zwarte Dood het dorp bereikt wordt Malou teruggestuurd naar Antwerpen. Ze komt terecht in het huis van buitenburgemeester Nicolaas Rockox waar ze het jongste ‘maartje’ wordt. De komst van Malou wekt wantrouwen op, maar toch weet ze een plaats te veroveren in Den Gulden Rinck. Nicolaas Rockox en zijn kinderloze vrouw Adriana raken erg gesteld op haar. Ondanks haar beschermde leventje, worstelt Malou met vragen. Kan Nicolaas Rockox haar echte vader zijn? En wat moet ze doen met haar verboden gevoelens voor de nieuwe knecht Meerten? Dan komt Malou een gevreesde schaduw uit het verleden tegen en wordt ze gedwongen een keuze te maken die de rest van haar leven zal bepalen.’
Om maar met de deur in huis te vallen: Malou van de mussen leest als een trein! Elpers heeft een vlotte pen, en weet de aandacht van de lezer bladzijde na bladzijde vast te houden (hetgeen wat mij betreft op een totaal van meer dan tweehonderd pagina’s een verdienste op zich is). Ze weet een levendig beeld van het zeventiende eeuwse Antwerpen en West-Brabant te schetsen. Zelfs mijn geboortestad Bergen op Zoom duikt even op: “Die grote boten brengen de lading naar Breda of Bergen op Zoom, of ze varen het zeegat uit.”
Elpers vermeldt netjes dat ze zich voor de historische stoffering van haar verhaal baseerde op Nicolaas Rockox 1560-1640 – Burgemeester van de Gouden Eeuw, de monumentale biografie die Leen Huet en Jan Grieten schreven over het leven van de man aan wie het Rockoxhuis in de Keizerstraat in de Scheldestad nog immer herinnert. Het oude Rockoxhuis komt herhaaldelijk mooi tot leven: “Meneer en mevrouw Rockox nemen plaats achter een glanzende tafel waarop papieren en boeken netjes op stapels liggen. Ook in deze kamer zijn de muren bedekt met goudleer en schilderijen. Er staan boeken en stenen hoofden op een wandrek en er is een kast met wel dertig bewerkte kastdeurtjes en laatjes.” Het boek nodigt je uit om dat fraaie pand weer eens binnen te stappen, en het te gaan bekijken met de ogen van Malou.
Malou van de mussen is prachtig geïllustreerd, met tekeningen van Cristóbal Acosta, Portret van een jonge vrouw van Dominico Hirlandaio en een beeldschone kaart van het Antwerpen in de Gouden Eeuw van Theodoor van Thulden. Het zou me niet verbazen moest ook dit boek van Noëlla Elpers in de prijzen vallen.

Malou van de mussen, Noëlla Elpers, Van Goor, Houten-Antwerpen, 2012, ISBN 9 789000 304905

(Bert Bevers)

Het verblijf van Vandenwyngaerden

Het is belangrijk dat een dichter kan rekenen op zijn uitgever; de inspanningen en het goede karma moeten van twee kanten komen. Enkel als een schrijver geruggensteund is of dit althans zo aanvoelt, kan de creativiteit er alleen maar wel bij varen. Met deze uitgave bewijst Berghmans Uitgevers achter Eric Vandewyngaerden te staan. Het resultaat: een tweede dichtbundel, zeer mooi uitgegeven. Het oog wil ook wat…
In de eerste cyclus zo’n stad  zoekt de dichter zijn plaats; legt vast maar blijft uiteindelijk verweesd achter. De cyclus later bezorgt ons een ontmenselijkte sfeer waar verwarring de communicatie stoort. De dichter brengt zijn gedichten in de vorm van gesprekken. De  vijf gedichten uit de cyclus afscheid bekoorden mij zeer; ik vind ze van een hoger niveau. In wellicht stiller speelt het isolement door het ouder en ziek worden een cruciale rol. Het naderende afscheid en het onzekere handelen zorgen voor geladen versregels; intens humaan. De dichter beschrijft de broze zoekende mens wiens lot hem overheerst. De aftakeling wordt verfijnd in beeld gebracht; de trage pijn van de naderende finale. Zo worden deze verzen universeel en belangrijk.

Uitzicht

Nog loop ik de deur door, de trap op,
de gang in. De kamer heeft nood aan
verluchting.  Het uitzicht niet helder.
De vlam weer wat lager. We halen het

licht op, de lucht in.
Nog wacht in een rij op de tafel:
een dagtaak van tellen en slikken,
want oud is het leven en pijn vordert
traag. Gesprekken (al altijd)
zijn helend; voorzichtig –
Nog zoveel te zeggen, zoveel te herhalen,
Uitleggen, bespreken.
Een wijl het denken nog helder,
dus snel nu: de tijd raakt op.

Eric Vandenwyngaerden houdt ervan om tekstgedeelten tussen haakjes te zetten. Nogal wat gedichten dragen deze stijlfiguur. De reden voor deze manier van werken gaat feitelijk aan mij voorbij. Het lijken soms wel bijgedachten die hun plaats zoeken. Het dwingende eindrijm is mijns inziens niet overal even geslaagd. Deze dichter laat zijn gedichten vragen stellen. Het is aan de lezer om deze te beantwoorden. Het terrein in Dit verblijf is niet afgebakend en de ruimte houdt het gevaar in van verdwaling. De auteur houdt zijn taal simpel en lucide, maar zijn gedachten waaieren uit. Zijn verzen vliegen als vlinders; mooi, boeiend maar soms moeilijk om te volgen.
Karel Wasch schreef over de poëzie van Eric Vandenwyngaerdens: “Deze dichter laat ons meegenieten van het samengaan van gevoel en verstand. Een dichter zonder bombast, zonder effectbejag, maar met een heldere overtuigende toon, die  ons terugwerpt op onszelf.”
Het spreekt voor zich dat het aan de lezer is om zelf de rekening te maken en eigenlijk naar niemand te luisteren. Ik vraag wel de moeite te doen om in Dit verblijf op verkenning te gaan. Deze bundel zal zeker vermoeide reizigers vinden die weer op krachten moeten komen om straks weer verder te trekken op zoek naar anders. Eric Vandenwyngaerden mag voor zijn arbeid zeer bedankt worden.

Dit verblijf, Eric Vandenwyngaerden, Berghmans Uitgevers, Antwerpen, 2012, ISBN 9789070959913

(Frank Decerf)

Op een dag niet langer buiten westen

David Troch publiceerde in 2002 de verhalenbundel tot de sterren gericht, een jaar later gevolgd door zijn poëziedebuut liefde is een stinkdier maar de geur went wel. In 2006 verscheen ontkroond. Samen met Anne Provoost was hij de enige auteur uit het Nederlandstalige taalgebied in volume 7 van de Amerikaanse bloemlezingenreeks A Generation Defining Itself, In Our Own Words (MW Enterprises, 2007).
Als regisseur zette hij toneelstukken als het geheim van de kont, het stinkt hier en een doosje dolle dialogen op de scène. Hij werkte mee aan het e-zine Meander, was redactielid van Gierik & Nieuw Vlaams Tijdschrift en stond mee aan de wieg van Kluger Hans.
In 2008 verscheen laat(avond)taal als tweede bundel in de Bel-etagereeks van het PoëzieCentrum te Gent. In dezelfde reeks verscheen nu als nummer vijf buiten westen.
Met uitzondering van het laatste, zeven pagina’s tellende op een dag zal ik door de bossen lopen, zijn alle gedichten opgebouwd uit drieregelige strofen van bijna identieke lengte. Een eenvoudige zegging, geen stilistische kunstgrepen, geen metaforen. Wat er beschreven wordt is evenmin spectaculair, maar daarom niet minder beklemmend: het bestaan wordt hier voor een groot deel voor de beeldbuis geleefd, en in elk geval binnenskamers. Of dit het leven is dat we willen leiden is maar zeer de vraag: de beeldbuis zouden/ wij alleen uitschakelen als onze neus op ons/ eigen leven werd gedrukt. dan huiverden// wij, overwogen een gezelschapsspel, een/ barbecue. bij momenten waren wij ons/ vaag bewust dat er ook wat anders was. 
Wat zich buitenhuis afspeelt, en zelfs wat de liefde brengt: veel is er niet nodig om die ingehouden rust te laten kantelen: uitdagen. plagen. ze halen plezier/ uit woordenwisselingen en tonen/ hoe scherp hun tong wel is, hoe// ad rem. het alledaagse mag niet/ doordeweeks zijn. het geringste/ leidt tot uitzinnigheid.
In de cyclus de vergeetachtige doemt een grootmoeder op die aan geheugenverlies lijdt:

je wist niet meer wie je was. je zag
zaken die er niet waren, mensen die
niet op bezoek kwamen omdat je ze

x aantal jaren geleden begraven had.
soms greep je me bij de arm, verstijfde
en keek verschrikt naar het eind van

de gang. daar kwamen ze in grote
getale: de uniformen, de combatshoes.
achter mijn rug waande je je veilig.

Dat onheilspellende weet David Troch keurig te doseren en daar ligt precies zijn kracht; het geeft de schijnbare eenvoud van zijn poëzie een beklemmende lading. Voor wie dit nog niet voldoende mocht zijn: de dichter heeft beslist nog wat anders in zijn mars, getuige hiervan het gedicht op een dag zal ik door de bossen lopen (geïnspireerd op een versregel van Herman De Coninck), dat een stuk lyrischer is.
Ook in deze bundel heeft Troch zijn legendarische hekel aan hoofdletters doorgedreven: er is er geen enkele te bespeuren. We hebben ze ook geen moment gemist. Wat er wel staat, staat als een huis.

buiten westen, David Troch, PoëzieCentrum, Gent, 2012, ISBN 978 90 565 5185 8

(Roger Nupie)

Een kei in duren

Een debuutbundel is altijd iets speciaal. Het is als een nieuwe relatie; wat zal het worden? Is het de moeite? Zal de opwinding blijven of is de oefening uiteindelijk veel te vermoeiend? Of moeten we geduldig zijn? Ann Van Dessel is dorpsdichteres van Haacht. Dorp? Toen ik jaren terug ten huize Karel Jonckheere een babbel met de grootmeester had, leek de omgeving niet op een dorp. Maar goed deze dorpsdichteres dus, heeft haar gedichten uitgespreid over 6 cycli.
Met zwijgen gewapend bevat vooral mijmeringen, nostalgische metaforen waarin een sterk persoonlijk vocabularium wordt gehanteerd. Als de lezer de moeite doet om traag en beheerst te lezen, zullen de dubbele zinnigheden charmeren. Typografisch vermijdt Ann Van Dessel hoofdletters; een keuze. Ook buitenlandse oorden drijven haar om in de pen te kruipen en daarvan verslag te doen. De dichteres schuift anonieme personages naar voor die op hun beurt grenzen doorbreken en universeel worden. Dan weer worden de versregels filmische opnamen van tenger integere momenten.
In De kant van de kering lezen we kanttekeningen bij menselijke drama’s. Die fragmenten uit een bestaan zijn zeer subtiel beschreven, zo fijn en zacht als de beste batik. De kern van de boodschap is uitgepuurd, spanningverhogend. De schrijfster houdt haar versregels kort. Zo bedwingt ze haar woorden tot authentieke poëzie.
Bananendozen bestreelt de kindertijd. In deze reeks worden associaties opgeroepen die de onmogelijkheid van de terugkeer daarheen bewijzen, maar er wordt toch getracht de sentimenten terug te brengen. De dichteres wordt sjamaan.

vaart

ze fluit de school uit, stopt
haar jeugd in bananendozen onder
en trekt een huis om zich heen

de nieuwe gordijnen staan haar beeldig
wanneer ze ’s morgens het raam
op de wereld wijd open lacht

dan vouwt ze, groot als een mens,
de stad open en scheurt op de fiets
haar versgebakken leven door

Wat in heel wat poëziebundels aanwezig is, is de herinnering aan de vaderfiguur. Ook in de cyclus De zon sloeg in is dit het geval. Het gemis, het verlorene en de hopeloosheid drijven de dichteres tot het schrijven van deze gedichten. Zij hoedt zich er voor niet melodramatisch te worden en nergens kon ik voorspelbare beeldspraak of versregels vinden. In dit deel laat Ann Van Dessel de anekdotiek toe zonder storend te worden. Bij haar geen banaliteit.
En nergens is haast is de cyclus die deze puik uitgegeven bundel afsluit. Doorheen dit werk schraapt de dichteres aan haar taal tot elke ballast verdwijnt en de balans een sierlijk evenwicht tussen spielerei en hoogst persoonlijke woordassociaties vindt. Soms zijn er verdraaide invalshoeken die de semantiek versterken. Bij Ann Van Dessel krijg je dubbele bodems die een glimlach op je lippen toveren. Het resultaat is beeldspraak en poëzie die getuigen van klasse, echtheid en spontaneïteit. Een kei in duren is het debuut van een klaar en ontegensprekelijk gerijpt talent. Ann Van Dessel lijkt mij een humane dichteres zonder hoogheidwaanzin. Echt de moeite waard!

Een kei in duren, Ann Van Dessel, Uitgeverij P, Leuven, 2012, ISBN 978-94-91455-03-2

(Frank Decerf)

Het bezinksel van de waarheid

Voor het tijdschrift De Zingende Zaag schreef Jan Kostwinder ooit een stuk waarin hij stelde dat de poëzie weer doorzichtig en eenvoudig tot op het simpele af moet worden omdat steeds minder mensen nog vertrouwd zijn met poëzie, en steeds minder mensen in staat zijn om poëzie te lezen. “Ik schreef dat, en in mijn, laten we maar zeggen, ‘jeugdige overmoed’ trok ik de polemische trukendoos nog maar eens open. Dat doe ik al zolang ik schrijven kan: alles wat ik schrijf is polemisch, ik kan eenvoudigweg niet anders – het zal wel in mijn genen zitten.” Hij verwachtte niet veel reacties, maar zijn tirade lokte er destijds onverwacht veel uit. En dat verbaasde hem dan weer: “Het is eigenlijk altijd zo geweest dat ik maar liep te schreeuwen – uit wanhoop, of woede, of voor mijn plezier – en dat mijn publiek daar schouderophalend aan voorbijging. Ik ben nu eenmaal niet veel anders dan zo’n broodmager vrouwtje met vies piekhaar en een bloemetjesjurk van het Leger des Heils die (moet natuurlijk dat zijn, maar dit terzijde – BB) op een ukelele staat te spelen op de hoek van de Dollebegijnensteeg en de Oudezijds Achterburgwal, onderwijl iets uitroepend in de trant van ‘Er zijn te veel atomen!’”
Eigenlijk schreef Jan Kostwinder (1960-2001) hier een uiterst beknopt, maar onthullend zelfportret. Hij kon schrijven als de beste, maar het échte leven was hem te zwaar. Hij raakte depressief, dronk als een tempelier, was vaste klant in allerhande rosse buurten en verwoestte dusdoende zijn huwelijk, en het contact met zijn twee zoontjes. De laatste jaren van zijn leven ging het van psychiatrische instelling naar afkickkliniek.
Hij schreef proza (Regenhond en Brieven aan Willem-Alexander) maar zal waarschijnlijk toch vooral herinnerd worden als dichter. Zijn debuut Binnensmonds is de moeite van het lezen nog steeds waard. Bij zijn leven verscheen verder alleen nog de bundel Een kussen van hout. Een derde had hij persklaar, en het lijkt wel of hij wist dat het slecht met hem af zou gaan lopen want de titel ervan luidde Donkere wolken pakken zich samen boven het hoofd van Meneer De Vries (dat was zijn echte achternaam).
“Jan was een goede dichter, een gedreven liefhebber van de literatuur, een van de motoren van het tijdschrift Adem, een liefhebbende vader en een hopeloos hoopje mens. Dat laatste heeft hem genekt. Leve Jan Kostwinder, leve zijn poëzie,” schreef Wim van Til op de poëziesite De Contrabas. Zo is het. Laten we van deze charmante maar getormenteerde zenuwlijder vooral zijn beste gedichten onthouden.
Dankzij de inspanningen van Hein Aalders en Chrétien Breukers (die eerder al Alles is er nog, ’s mans verzamelde gedichten, bezorgden) is er nu Het bezinksel van de waarheid, waarin brieven, polemieken en portretten van Kostwinder zijn verzameld. Die vervolledigen het beeld van de auteur, zeker voor mensen die hem niet goed kunnen plaatsen, terdege.

Het bezinksel van de waarheid, polemieken, portretten en brieven van Jan Kostwinder, Uitgeverij Reservaat, Heiloo, 2012,  ISBN 978 90 74113 24 3

(Bert Bevers)

Medicijn tegen automatisering

Je krijgt niet elke dag gedichten onder ogen die uit reeksen cijfers bestaan. Dat is precies wat er te lezen (of te zien) is in Numeriek, één van de vijf cycli van de bundel Terzinen van Nanne Nauta. Als voorbeeld de eerste strofe uit het eerste van die drie gedichten, getiteld 3 terzinen numeriek flarf:

1 2 1 1 91
92 2 7 4
1 523 1

Een flarf is een gedicht waarin zoekresultaten van het internet zijn overgenomen of gesampled. Overgewaaid uit Amerika, wordt deze moderne vorm van readymade of collage beoefend door auteurs als Ton van 't Hof (van wie in 2007 de eerste Nederlandstalige flarfbundel verscheen, Je komt er wel bovenop), Hans Kloos, Jeroen van Rooij, Willem Bongers, Erwin Vogelezang, Mark van der Schaaf, Sven Staelens en Nanne Nauta die samen in 2009 een flarf-collectief hebben opgericht en Flarf, de bloemlezing samenstelden.

Opmerkelijk dat een dichter die goochelt met iets eigentijds als Google-zoekresultaten kiest voor een klassieke dichtvorm als de terzine - een gedicht of een strofe van drie regels. De bundel bestaat uit zesentwintig gedichten van telkens drie strofen van drie regels. Op het sonnet had Nanne Nauta al eerder een variant bedacht, getuige zijn vorige bundel, Kruissonnetten.

Het terrein van de voortschrijdende automatisering van onze omgeving en het internet krijgen een cruciale plaats in zijn poëzie. Wat ontstaat er nu precies als de dichter die zoekresultaten samenvoegt?

Een mooi voorbeeld is Drie terzinen G-lipeen:

Zoals het samenvoegen van bomen
een bos geeft, zo ontstaat de schaduw
uit je dromen en eerste neigingen.

Neem ze in de volgorde waarin
ze bij je terugkomen in het
geheugen. Daarna leg je ze dan

in de onpersoonlijke orde
van het alfabet. En ja, dit is
een uitoefening van ironie.

De werkwijze van Nanne Nauta is interessant vanuit taalkundig standpunt. De dichter is zich bewust van het kwaad: De machine is waarschijnlijk in/ staat om alle poëzie die kan/ worden geschreven ook echt te schrijven. Soms levert het goochelen met zoekresultaten (al dan niet hilarische) verwarring op: Velen is met beschrijft met gaan gaat/ u onze rond sterven onder dat/ sterven is mensen nemen de seks.
Wordt de dichter op een dag vervangen door GooglePoet of MS LightVerse? Hij maakt zijn bedenkingen hierover zonder betweterigheid of intellectualistisch geleuter tot poëzie en bewijst dat het altijd de dichter zal zijn die aan het roer van de dichtkunst zal staan. Hij verplaatst, voegt samen, bouwt daarmee aan een nieuwe werkelijkheid: de kunst van het verschuiven, een zin/ is een zin om elke zin te krijgen. We hoeven er ons verder niet al te druk over te maken.
Er worden echte vragen gesteld/ die jullie nooit vragen om te weten./ Dat soort vragen zijn dus niet zinvol. De poëzie van Nanne Nauta is dat wel. En, laat het een troost zijn: flarf staat inmiddels in de Van Dale!

Terzinen, Nanne Nauta, Uitgeverij De Contrabas, Utrecht & Leeuwarden, 2012, ISBN 978 90 794 3257 8

(Roger Nupie)

Het snijderseiland van Holtrigter

Het moet gezegd worden dat het recenseren van een dichtbundel nogal vaak begint met het bekijken van de voor- en achterflap, daarna worden lukraak wat gedichten gelezen en soms begint men plichtsbewust gewoon met het eerste gedicht. De intrige is een goeie aanzet. Deze bundel roept vooral om attentie door het zeer geslaagde omslagbeeld: de befaamde Boeuf écorché van de invloedrijke beeldend kunstenaar Chaïm Soutine. Maar wat bedoelt de uitgever met: “De gedichten van Juliën Holtrigter bevatten een geheimzinnige luciditeit…?” Ik vraag me namelijk af hoe luciditeit geheimzinnig kan zijn?
Juliën Holtrigter is het pseudoniem van Henk van Loenen, die in 1946 in Hilversum het levenslicht zag. De laatste jaren verschenen van hem de bundels Omwegen, Het verlangen te verdwalen, Het stilteregister en Het feest van de schemer, maar reeds in 1969 publiceerde  hij in het destijds veelgelezen literaire tijdschrift Kentering. Onder zijn eigen naam maakt hij tekeningen, schilderijen, foto ‘s en ruimtelijk werk waarin hij het zintuiglijke met het mystieke poogt te verbinden
Juliën Holtrigter kiest voor de melange. In deze uitgave geen cycli, geen opsomming. Hij verweeft zijn beelden tot aparte versregels en breit ze aan elkaar, het resultaat is een potpourri die geurt en keert. De dichter houdt zijn titels mysterieus, vaak zijn ze de beginwoorden van het gedicht.

De stoel van de man is leeg

De stoel van de man is leeg want hij stond op.
De spiegel bewaart nog iets van zijn blik.

Doordat er iemand verschijnt of verdwijnt
wordt het verhaal in beweging gezet.

De man draait zich om in zijn bed.
De stad is een storm in zijn hoofd.

Hij hoort de bel, haalt de deur van het slot.
In het donkere gat van de straat is geen

schaduw te zien. Een wolk drijft voorbij.
Ben jij het, vraagt hij, de schrijver?

Als een trein in de verte, een laars in de heg,
heeft zich de stilte vermomd.

Ongehoord, zegt de man. Hij draait zich om,
sluit de deur, gaat zitten aan tafel.

De gedichten van Holtrigter gooien de lezer door elkaar alsof hij op een roetsjbaan zit. Herlezen om te beleven, zo iets ongeveer; een opdracht dus. Holtrigter is een dichter die of gul of afgemeten is. Zijn versregels gaan een eigen leven leiden en de opbouw van de strofen misleidt structuur. De centrifugale kracht van de toevloed aan beelden brengt de lezer uit balans; zijn oriëntatievermogen en geduld worden danig op de proef gesteld. Deze dichter bewoont zonder een spoor van twijfel een heel aparte wereld. Zijn steden zijn zijn gedichten, waarin allerhande anonieme figuren vaststellingen doen en vluchtig kortstondig nieuws uitbrengen. Ze aanvaarden hun lot gelaten. De moderne vluchtige maatschappij is de voedingsbodem voor veel van dit poëtisch werk. De rauwe stad en alle ervaringen daaraan verbonden herkneedt de dichter tot puur wit brood. Alledaagsheid wordt op die manier verheven. Snijderseiland is een studie waard. Waar de geheimzinnige luciditeit zit, blijft mij een raadsel…voorlopig nog.

Snijderseiland, Juliën Holtrigter, Uitgeverij De Harmonie, Amsterdam, 2012, ISBN 978076168289

(Frank Decerf)

De enkelband van Herman Fierens

Een veelschrijver kun je de dichter Herman Fierens (° 1941, Lokeren) niet noemen. Zijn debuut Brumaire verscheen (bij uitgeverij Desclée De Brouwer) in 1969. Dat is….43 jaar geleden! Pas tien jaar geleden volgde de opvolger daarvan, De weg door het binnenland. Maar ziet: de intervallen worden kleiner want vijf jaar geleden verscheen Zwemmers in het tegenlicht, en dan is er nu Met enkelband.
Deze nieuwe bundel omvat 63, veelal vrije, verzen. Die zijn, op het introducerende tweeluikje Passage na, ondergebracht in drie grote reeksen: Met enkelband, Afrekening en De schaduw van de orchidee. Het werk van Herman Fierens komt tamelijk autobiografisch over (het zegt iets dat de eerste persoon enkelvoud niet minder dan 90 keer gebruikt wordt, en dat ook mij regelmatig opduikt), maar wordt mijns inziens nergens te particulier. De strijd met de taal (lees bijvoorbeeld Tien woorden op geruit papier dat ik / me goed herinner, zonder de woorden, / een gedicht op zoek naar inkt, of Schrijven is belangrijker dan wat / geschreven staat, want wie dat leest / zoekt in de tekens waarin de inkt op / het papier is uitgelopen een weg om / ervan weg te komen), met het leven tout court vormt een rode draad door Met enkelband. Of neen, Fierens gaat misschien eerder dan met het leven de confrontatie met de vergankelijkheid, met de dood aan. Hij schrijft stevige gedichten, die hier en daar wat dwarsig zijn, maar staan als een huis. Ik citeer er een:

Voorspelling

Het helpt niet dat wij wachten
op wie achterbleven

het wordt al donker
en het zal gaan sneeuwen

waar die schouw rookt
in de richting van de zee
zullen wij slapen

om zonder van elkaar te weten,
tot het licht werd,
dicht bij elkaar te zijn

en buiten het bereik van elkaars armen,
later, beginnen te vergeten
dat wat niet kon, nog had gekund.

Ik heb Met enkelband met genoegen gelezen. Herman Fierens is een dichter die op zijn gemakje zijn eigen pad bewandelt, en zich niets aantrekt van moderniteiten zoals die her en der maar al te makkelijk opduiken. Laat hem zijn gang maar gaan. Als zijn recente ritme aanhoudt mogen we over vijf jaar weer een nieuwe verzameling van zijn gedichten tegemoet zien.

Een ernstige kanttekening wil ik wel maken bij de aantekeningen die Fierens aan de bundel toevoegt. Dat hij aangeeft dat hij citaten van Richard Minne, Karel van de Woestijne en Emile Verhaeren samplet is netjes, en dat hij verklaart dat Danielle Laval een Franse pianiste is en dat Hilde R. staat voor de echte naam van de betreurde zangeres en tv-presentatrice Yasmine is even zo correct, maar als hij er in meent te moeten verklaren wat het paard van Troje was, wie Simson/Samson was en dat Ispahaan verwijst naar het gedicht De tuinman en de dood van P.N. van Eyck voel ik me als onderlegde lezer toch lichtelijk beledigd.

Met enkelband, Herman Fierens, Uitgeverij C. de Vries-Brouwers, Antwerpen-Rotterdam, 2012 , ISBN 9 789059272897

(Bert Bevers)

Bladzijden uit een notitieboekje

Joris Lenstra, Ruben van Luijk en kO nOrderisk omschrijven zichzelf als drie jonge, wilde & onbekende auteurs uit de riolen van Rotterdam. Ze schrijven gedreven, pregnant maar een tikkeltje afwijkend literair werk dat ze bij reguliere uitgevers niet aan de straatstenen kwijt konden. Waarop ze prompt hun eigen Uitgeverij Nadorst oprichtten.
Naast eigen werk publiceerden ze o.a. poëzie van Jack Kerouac, voor het eerst in  het Nederlands vertaald, door Joris Lenstra: Verzen, Schetsen, Haikus & Blues. In hun Eensdagsvliegreeks van poëzie en proza van Nederlandstalige auteurs, verscheen als # 4 Bladzijden uit een notitieboekje op een bankje in het park gevonden.
De uitgave oogt als een oud schoolschrift. Er is geen auteursnaam vermeld. De redacteur van de uitgave vertelt in zijn nawoord waar de teksten vandaan komen: een schriftje, zonder naamvermelding, dat hij vond op een bankje in de botanische tuinen van de Universiteit van Utrecht.
Het zou om een man gaan, werkzaam aan de universiteit (Betreedt zijn stille werkkamer om aan een obscuur en eindeloos onderzoek te werken terwijl het namiddagzonlicht goudgeel naar binnen valt), een buitenlander wiens moedertaal niet het Nederlands is (Je begint de woorden voor de dingen te leren in de taal van het land waar je bent aangekomen), maar die er wel voortreffelijk in schrijft. Verdere pogingen om de identiteit te achterhalen liepen op niks uit, al kan de auteur zich nog altijd wenden tot de uitgeverij teneinde de aan hem verschuldigde vergoeding in ontvangst te kunnen nemen.
Mooi verhaal.
Sympathiek initiatief van Uitgeverij Nadorst om aan een deel van de teksten een uitgave te wijden. Maar er is meer dan dat. Tenslotte was het de literaire kwaliteit die tot een uitgave uitnodigde en die is er onmiskenbaar, al hebben we er het raden naar of de maker van de teksten ook maar enige literaire ambities koesterde. 
De teksten houden het midden tussen poëzie en proza. Het zijn autobiografische en filosofische bespiegelingen, vaak in een melancholische sfeer, jeukende tristesse: Een meeuw vliegt over en roept, en het is onmogelijk om te zeggen of zijn kreet klagelijk dan wel vreugdevol is. 
Bijzonder mooi zijn de teksten Wij zijn reizigers die aankomen in een vreemde stad (p. 16-18) - diezelfde zin is trouwens ook de beginzin van de eerste tekst - Er is iets zeer droevigs aan het van op afstand bekijken van een feest (p. 19-20) en Zo herinner ik me die dagen (p. 22-24).
Heeft de auteur deze teksten bewust op een bankje in een park achtergelaten, in de hoop dat iemand ze zou lezen of publiceren? Of had hij met deze teksten zijn verhaal verteld en is hij intussen verder getrokken? Het antwoord doet er wellicht niet toe. Dit fraai hebbeding ligt nu in het bereik van de ware literatuurliefhebber, als die snel genoeg is, want dit is een eenmalige uitgave van welgeteld vijftig genummerde exemplaren.

Bladzijden uit een notitieboekje op een bankje in het park gevonden, Eendagsvliegreeks # 4, redactie: Ruben van Luijk, Uitgeverij Nadorst, Rotterdam, 2012

(Roger Nupie)

De grote rokade

Richard Foqué aanschouwt in zijn nieuwe bundel De grote rokade de wereld, ervaart, voelt mee, analyseert, concludeert, hoopt nog bijwijlen, maar de dingen die komen en de dingen die gaan, leggen een onduidelijk en verwarrend parcours af. Je weet niet hoe en waar en waarom alles gebeurt zoals het gebeurt. Dat is hetgeen de dichter zich afvraagt in de eerste cyclus van de bundel: De dingen die komen.
In de tweede cyclus Wrakhout deinen we nog voort op de getijdensymboliek. De vloed spoelt het wrakhout aan, de restanten van de eerste cyclus als het ware. De oorlog laat zijn sporen na, alle puin is nog niet geruimd. De mens wordt geconfronteerd met zijn falen, de fraaie plannen sneuvelen, de idealen vergaan met het zinkend schip, alle redelijke wetten werden genegeerd. Het menselijke wrakhout kan geen kanten meer uit.
Ook in de derde cyclus De grote rokade zet Foqué ons meer dan eens op het verkeerde been. Een rokade is uiteraard een dubbele zet. Nederlaag en zegevieren vinden er hun oorsprong. Men kan lezen wat er staat, men kan ook lezen wat vooralsnog verzwegen wordt. Het besef dat de geschiedenis zich almaar herhaalt, hoe de dobbelstenen ook worden geworpen, hoe de kaarten ook worden geschud, dezelfde winnaars duiken op en elke nieuwe waarheid wordt uiteindelijk afgekocht. Zo zou men tot de enigszins uitzichtloze vaststelling kunnen komen dat alles ooit geschreven en vastgelegd is. Maar door wie dan? De mens is toch de maat van alles, of niet? En de ontmoedigende vaststelling dat de gewone man en vrouw immer de rekening van de goedgelovigheid gepresenteerd krijgen. De grote rokade of het perfide spel van een eenzame poging tot zelfbehoud. Zowel individueel als collectief. De koningen laten ons in de steek, de torens staan uitzichtloos te dreigen, de pionnen vluchten radeloos van zwart naar wit en omgekeerd, de paarden draaien in het rond. Niemand weet waarheen, niemand heeft gewonnen. Zelfs wie denkt toch te hebben gewonnen, weet niet wat hij mogelijkerwijs verliezen zal.
De grote rokade van Richard Foqué is tegelijk rationeel opgebouwd en emotioneel in balans. Hij wil ons wijzen op een mogelijke teloorgang. Maar het gevaar omschrijven en onderscheiden is al een bescheiden begin in de richting van een eventuele kans om deze teloorgang te ontlopen of te vermijden. Als architect ziet hij rondom zich het menselijke bouwwerk langzaamaan in elkaar storten. Alleen een kakelende toren van Babel houdt zich overeind. De architect verzamelt de brokstukken, hij werpt ze niet op een willekeurige hoop, maar kiest zorgzaam de meest waardevolle en gave stenen uit en plant al een nieuw bouwwerk, dat alle vorige zal overtreffen. In zijn bundel schudt Richard Foqué ons geweten wakker, hij houdt ons alert, hij wil niet beleren en beweert nooit dat poëzie de wereld zal kunnen redden. Na het aanschouwen van de grote rokade wordt de dichter zélf de grote nomade, de eeuwige zoeker, de zachte magiër.

De grote rokade, Richard Foqué, Uitgeverij P, Leuven, 2012, ISBN 978 9491 455 049

(Guy Commerman)

De cups van Hanka Kupfernagel

Patrick Cornillie (° 1961, Roeselare) heeft heel wat interessante dichtbundels op zijn naam staan. Ik noem Als de dood van Ieperen, Fleur de Semois en Kromme haas. Daarnaast stelde hij, met Paul Rigolle, de bloemlezing VeloDromen – Het wielrennen in de Nederlandse literatuur samen. Daarmee komen we op een ander talent van Patrick Cornillie: het schrijven van wielerboeken. De auteur is lang wielerverslaggever geweest voor de Krant van West-Vlaanderen. Momenteel is hij stafmedewerker van het Nationaal Wielermuseum in zijn geboortestad. Cornillie houdt niet alleen van De Koers, hij weet er ook enorm veel van af. Die kennis wenst hij niet voor zichzelf te houden. Dat moge blijken uit boeken als Alleen dalen gaat vanzelf – Het groot wielercitatenboek (2000) en De zomer van ’69 – Hoe Merckx won van Armstrong (2009). En nu is er De cups van Hanka Kupfernagel en andere wielerverhalen.
In 34 stukken haalt hij herinneringen op aan de helden van zijn jeugd, en die van de periode waarin hij de sport professioneel volgde. Talloze anekdotes doorspekken zijn betogen. Wim van Est, Rini Wagtmans, Jacques Anquetil, Jempi Monseré, Sylvère Maes, Ferdi Kubler zijn maar enkele van de vele coureurs die voor het voetlicht komen. Maar ook nog immer actieve renners als Tom Boonen en Peter Sagan worden niet vergeten. Cornillie onthult in dit boek ook waar zijn fascinatie voor de wielerjournalistiek is ontstaan: “Ik ontdekte de wielerjournalistiek bij mijn grootoom en –tante, op het gemak.” Patrick Cornillie ontdekte dat er in die ouderwetsche latrine geen wc-papier was, maar dat het toiletpapier er bestond uit stukgesneden pagina’s van Het Nieuwsblad-Sportwereld: “Een nieuwe wereld ging voor me open, want al mochten we dan modern wonen en zelfs al televisie hebben, nog altijd namen mijn ouders geen abonnement op een dagblad.”
Patrick Cornillie weet dat er mensen zijn die de meest bizarre objecten als souvenir bewaren. Achteloos weggeworpen bidons, maar ook zelfs door coureurs leeggezogen en aan de kant van de weg gegooide sinaasappelschillen. En: “Ik kan mij voorstellen dat er dames dromen van het nog van broekvet druipende zeem dat tijdens Parijs-Roubaix het onderstel van Tom Boonen beschermde. Dat er heren zijn die kicken op de met zweetkringen geteisterde sportbeha van Hanka Kupfernagel.” Vandaar de titel. De cups van Frau Kupfernagel (ze mogen er inderdaad zijn, maar ik moet eerlijk bekennen dat ik het dameswielrennen niet echt volg, en eigenlijk nog nooit van haar gehoord had) staan dan ook fraai in beeld op de binnenzijde van de achterflap.
Nog een citaat: ‘Wat een katholieke sport is dat wielrennen toch, dacht ik later. Hoe we daar met z’n allen stonden, vol devotie en emotie. De renners, gezalfd voor het hoogkoor, de rituelen bij start en aankomst, de volksverering bij zoveel calvarieleed, de supporters klaar voor een novene, de boetetocht tussen kerk en café. En vooral: de droom om wereldkampioen te worden en zodoende eeuwigheid te verwerven.’ Een tóf boek, kortom!

De cups van Hanka Kupfernagel, Patrick Cornillie, Les Iles, 2012, ISBN 978 9 491545 01 6

(Bert Bevers)

Over Vallen

Emma Crebolder, eerste officiële stadsdichter(es) binnen het Nederlandse taalgebied (Venlo, 1993), heeft een naam die doet denken aan een kobold of een kabouter (of een crèmebolleke, zegt mijn dochter). Men zou kunnen verwachten dat zij spreuken en bezweringen verzint, of recepten voor creepy dessertjes. Maar neen: Emma Crebolder is een zeer productieve dichteres, die als geen ander het taalspel beheerst. Dit jaar verscheen haar zestiende bundel, Vallen.
Origineel is de dynamische lay-out, die de daad bij het woord voegt (of omgekeerd). De titel staat in grote zwarte letters diagonaal op de cover, alsof hij naar rechts van het blad dreigt te vallen. Een muisbruin tussenblad, vooraan en achteraan, waarop het woord ‘val-len’ met buitelende letters de inhoud van de bundel aankondigt. Daarna komen vijfentwintig ‘valgedichten’, telkens op de rechterpagina afgedrukt. Links laat de boekverzorger het woord ‘vallen’ op sobere bruine tussenpagina’s, in evenveel speelse sequenties en lettergewijs, in diagonaal naar links ‘vallen’.
De gedichten hebben eenzelfde strakke structuur: 10 versregels, per twee gerangschikt. Het derde en vierde vers met een inspringing, net als het zevende en achtste. Ingenieuze enjambementen maken de poëzie springerig en spannend. Wat het meest opvalt is het volgehouden gebruik van het kernwoord ‘vallen’ in elk gedicht, in subtiele betekenissen en woordvormingen:

Klim met gesprongen/ huid, drink drie glazen/ Orval, de kriekenboom/ houdt zijn takken wijd.

Gebruik de watertruc/ en de valtoon van eertijds.  

Het voorval wordt tot glasmoes gekauwd./ Gevolgd door staren naar de mitella alias lavallière  

Crebolders gedichten lezen vlot; het plezier komt zeker na herhaalde lectuur, wanneer de lezer bewust ontdekt hoe vernuftig de technieken van verdichting inhoudelijk zijn toegepast. Haar poëzie genereert wellicht een soort onbehaaglijkheid, maar bevat ook ‘geheime’ tekens van vitaliteit en troost. De toon is zeker niet verbitterd of afwijzend, integendeel:

Wisten wij het vallen niet te/ voorkomen, was er altijd nog/ valkruid. Arnica montana/ Op butsen en bulten gesmeerd./ Gele margriet uit de bergen, / welgevallig je naam wolverlei./ Ook op lager leem was je vallenzetter/ voor kwalen en duivelsgebroed. Jaag/ ons hart aan. Behoed je voor tincturen, / laat ons geloven zonder bewijs.

Het leven lijkt ‘bevallig’, naarmate het vordert raken wij echter vastgeklonken, onze tongval kleeft aan ons als mos en wanneer wij op de Noordpool geraken, vergaat ons uiteindelijk het roepen en beseffen wij dat de cirkel rond is:

Hoe bevallig het uitzicht op wit-/ verpakte tuinen. Tussen oevers ligt/ het water vastgeklonken, valwind/ bouwt er spelonken van sneeuw./ Wij worden na zestig jaar, weer zesjarig,/ geparachuteerd in dezelfde sloot./ Onze tongval kleeft aan ons/ als mos. Het roepen vergaat./ Wij zijn op de Noordpool geraakt/ zagen wij in plaatjesboeken.

Emma Crebolder haalt herinneringen op, beschrijft, stelt gerust, waarschuwt, dreigt, voorspelt, nodigt uit, geeft raad. Zij formuleert op amusante wijze kleine en grote levensvragen. Als een verrukkelijke fee tovert zij in de concrete wereld boeiende en opwindende poëtische clusters, die je als lezer met de glimlach wil blijven verzamelen.

Vallen, Emma Crebolder, Nieuw Amsterdam, Amsterdam, 2012, ISBN 978 9046 812 2211

(Nicole Van Overstraeten)

Een parel van een essay

In een uiterst bondig essay weet Nicole Van Overstraeten heel goed de dichter Guy van Hoof te beelden: romantische tristesse, existentieel angstig, maatschappelijk betrokken, dromerig, rusteloos en wispelturig.
Van Hoofs poëzie is daar het resultaat van, de symbiose. Hij schrijft ‘intrigerende verzen’, zegt Nicole Van Overstraeten. Filmisch, rustige observaties, waarin mensen een eindeloze rol vertolken. Maar er is meer: de dichter is tegelijk buitenstaander en personage. Met Jan van Nijlen voelt Van Hoof zich verwant, zelfs in die mate dat hij hem beschouwt als zijn dubbelganger.

Het was Van Nijlen niet

die ik voorbij zag gaan.
Het was zijn dubbelganger die,

breed de laan uitliep.

Van Nijlen en Van Hoof delen eenvoud en een schijnbare vanzelfsprekendheid. Melancholisch? Ja en ook ironie en zelfspot. Zijn poëzie heeft veel weg van een eeuwige zoektocht naar identiteit. Soms lijkt het of de persoon Van Hoof loskomt van zijn lichaam en een personage wordt, als het ware een acteur die op reis is.
Guy van Hoof is een stadsdichter en ook een stadsmens. Hij schrijft gedichten over hoofdstad Brussel, Florence, over het Stadspark in Antwerpen, over Praag en Parijs. Hij beschrijft graag de barre, desolate eenzaamheid die gelinkt wordt aan grootstedelijkheid en reikt de lezer een charmant plekje aan.
Wat je bij hem niet zou verwachten is ‘dit ondoorgrondelijke landschap van groen en riet’. Dat bestaat hier uit vijftien natuurgedichten die zijn geschreven bij grafisch werk van Lieve Pettens, over de Oude Landen, een natuurgebied in de omgeving van Ekeren.
Vooraleer Nicole Van Overstraeten haar essay afrondt, - een essay dat mij om velerlei redenen heeft bekoord: het is kleinschalig maar doordacht, met een onvermoede diepgang in weinig woorden die zoveel gevoelens omvat, - schenkt zij aandacht aan Guy Van Hoofs engagement. Zijn verleden en zijn afkomst, het milieu zeker ook, sijpelen vaker door in zijn poëzie. Hij is links indien ik de sporen van een soort klassenbewustzijn hiervoor als bewijs mag gebruiken. Ik snuif er met graagte de linkse politieke ideeën uit op, zijn humane reflex ook, zijn aversie voor consumerisme (het nevelgordijn om het volk af te leiden, weet u wel).
Waarom is het leven dan toch zo huiveringwekkend mooi? Is dat nou een paradox, of is het een aandachttrekker? Guy Van Hoof schrijft toch over het kleine, het fragiele, het menselijke, over de tristesse en over de ontgoochelingen waarvan hij met zo’n moeite herstelt? Waarom dan toch die omschrijving dat de dagen huiveringwekkend mooi zijn? Is het om zijn mysterieuze glimlach? Of gaat het toch alleen maar over woorden? Om de woorden zelf? Denkt Guy Van Hoof dat hij het best blijft bovendrijven, want als hij onder de golven duikt, zou hij kunnen verdrinken. Nicole Van Overstraeten schreef een parel van een essay: zonder omhaal, to the point, met een licht badinerende pen legt zij de gevoeligheden van de dichter bloot, niet in clichés, maar met doordachte bemerkingen.

De dagen zijn huiveringwekkend mooi, Nicole Van Overstraeten, uitgave VKH- Vriendenkring Kunst Houtland, Torhout, 2012

(Thierry Deleu)

Beelden uit de Camera Obscura

Voor wie op school nog een beetje degelijke literatuurgeschiedenis genoten heeft, zal “De Camera Obscura” mogelijk nog een belletje doen rinkelen, althans de titel van het boek en misschien ook nog de auteursnaam: Hildebrand (pseudoniem voor Nicolaas Beets). Dat het werk inmiddels zo goed als vergeten is, hoeft niet echt te verbazen: het dateert van 1839.
Om het geheugen even op te frissen: Camera Obscura (het lidwoord moest er al vlug aan geloven) is een verzameling verhalen en beschouwingen over Nederland, in een periode dat de postkoets nog populair was en er aan de eerste spoorlijn werd gewerkt.
Mocht er nu nog een fragment tot de verbeelding spreken, dan is het dat deel van het boek over de familie Stastok. Hildebrand schetst daar een beeld van de burgerij uit het begin 19de eeuw. Enige maatschappijkritiek was de auteur niet vreemd: de trieste levens- en werkomstandigheden van een ander deel van de bevolking werd aangeklaagd in Het diakenhuismannetje vertelt zijn verhaal.
In 1962 werd in de Haarlemmerhout het Hildebrandmonument onthuld, naar een ontwerp van Jan Bronner. Hij gaf gestalte aan acht figuren uit de Camera Obscura, gadegeslagen door Hildebrand zelf. In 2008 publiceerde Ivo de Wijs een hertaling van het boek, een eigentijdse versie die niet door iedereen in dank werd afgenomen. Dat de spelling werd gemoderniseerd was niet het grootste probleem; oubollig-langdradige fragmenten werden ingekort en door dat snoeiwerk moest een deel van de oorspronkelijke tekst er aan geloven. 
Niet alleen het boek, maar ook dit beeld is intussen bijna vergeten en Bies Van Ede – schrijver van o.a. jeugdliteratuur, romans, liedteksten en gedichten – vond het vijftigjarig jubileum van dit monument een geschikt ogenblik om beide terug onder de aandacht te brengen.
Beelden uit de Camera Obscura bevat, na een voorwoord van Jhr. drs. André L.F.M. Testa (Mijn overgrootvader Antoine Testa en Nicolaas Beets waren zeer bevriend) en een essay, Hildebrand wie?, veertien gedichten. Het is schitterend geïllustreerd met tekeningen van Eric J. Coolen, niet toevallig de Haarlemse (nacht)illustrator genoemd: de tekeningen baden in een nachtelijke sfeer. 

En, niet onbelangrijk, het bevat mooie gedichten, zoals Jongensdagen.

Ik wachtte op de jeugdvriend
Die met mij het ritueel voltrok:
De zware jas van onze schouders
Laten glijden.

Wij spraken weer in vragen,
Kenden geen woord Latijn,
Onze tuin werd een speeltuin,
Hoepel en hobbelpaard kwamen tot leven.

Eindeloze dagen verstrijken
Ik wacht vaak op mijn goede vriend,
Wij nemen statig elkaars hoed
Af en knikken zwijgend.

De wind beweegt onze schommels nog.

Of het boek van Hildebrand en het monument van Jan Bronner aan de vergetelheid zullen ontsnappen, blijft zeer de vraag en de auteur is zich daar ook zeer van bewust. Zijn Credo spreekt boekdelen: Nooit ergens thuis gehoord./ Even bekend als ongelezen,/ Onbemind, nergens veilig.// Maar nooit strijd gestreden./ Alleen wie zwak is, vecht./ Ik ben waar ik sta. Een fraai uitgegeven momument-taal-boek is er alvast.

Beelden uit de Camera Obscura, Bies van Ede, Eric J. Coolen (tekeningen), Uitgeverij Holland, Haarlem, 2012, ISBN 9789025111885

(Roger Nupie)

Men schort wat op

De in Antwerpen geboren Yella Arnouts publiceerde vorig jaar bij uitgeverij P de dichtbundel Men schort wat op. Deze bundel bestaat uit vier cycli: Hoe begint het, Morse, Buiten beeld en Morose. Aan deze reeksen voegt zij een gedicht toe, geschreven bij de raadselachtige assemblage Étant donnés van de Franse surrealist Marcel Duchamp en drie wonderlijke gedichten omtrent De Kapel van het niets, een sacraal bouwwerk van Thierry De Cordier.
Hoe begint het start met een verrukkelijke voorspelling: een elfje van brood wiegt onderhuids, belooft in golven uit te breken. Vijf van de negen gedichten in deze cyclus zijn tuingedichten. Een meisje speelt vreemde spelletjes: zij spant een tent in de tuin, zij krijgt visioenen, zij deelt een worm als voedsel voor mieren, zij droogt haar gedachten in de zon. Uiteindelijk gebeurt het volgende:

Een vrouw lost in lommer van berk en lover op.

Ziet ze en kind
likken aan steen, bijten in zand,
ze schraapt het als een berg bladeren bijeen.
Hoe rolt het niet van haar weg.

Ook de drie laatste gedichten lijken jeugdherinneringen. Haar vader in rode pull en donker pak, haar koffiedrinkende moeder, haar garderobe. Het gedicht Echo begint met een treffend citaat van Emily Dickinson: zij droomde mij en ik droomde haar en dood vond haar eerst.
In de cyclus Morse lijkt de dichteres haar tuinavonturen voort te zetten, met bermen vol boterbloemen en brandnetels. Maar plots bevindt zij zich in een poëtische werkplaats:

Zo schort ik schrijvend de nacht op:
in de logica van vreemde voeten,
de chaos van een kwebbelend brein.

(uit Men schort wat op ’s nachts)

We raken al een eind weg met een begin, zegt zij in Ingewijd. Het slotgedicht Morse suggereert: poëzie is morsetaal bij uitstek.

De derde cyclus, Buiten beeld, bevat enkele schitterende gedichten, geschreven bij ‘faits divers’: Weerbericht, De Renner (over wielrennen – Arnouts werkte mee aan Geelzucht: www.geelzucht.wordpress.com), Bericht (over Amelie van Esbeen, een hoogbejaarde dame die euthanasie aanvroeg) en Goddelijk (omtrent een koffiekopje). De enigmatische gedichten Desdemona, Pietas en Zie een doorschijnende hand sluiten deze cyclus af.

De cyclus Morose tenslotte lijkt over liedjes te gaan, over licht, over zingen, over tango:

Zo gul is het lichaam soms,
Een blik duwt en trekt als een tango,
Hij schudt, zij wiegt, berk en beek,
En dan vliegt alles prismatisch uiteen.

De gedichten omtrent MD en TDC zijn wellicht de orgelpunten van deze bundel. Nergens gaat de dichteres zo diep in op de vergankelijkheid van het bestaan. Deze gedichten sluiten af met verzen als voorgoed naar de bliksem en Stil maar, het is niets.

Ondanks de indrukwekkende verwijzingen is de poëzie van Yella Arnouts niet zwaar op de hand. Ze goochelt met syntaxis, woordconstructies en betekenissen. Verzen lijken zomaar in het midden van een gedachte te beginnen en eindigen op oneindig. Yella Arnouts weet het vluchtige en het lichte te vatten in spitse, beweeglijke poëzie

Men schort wat op, Yella Arnouts, Uitgeverij P, Leuven, 2011, ISBN 978 90 79433 74 2

(Nicole Van Overstraeten)

De hele santenkraam

In Vlaanderen en Nederland nog nagenoeg onbekend, maar in Zuid-Afrika een beloftevol en opwindend talent: dichteres Ronelda S. Kamfer, geboren in 1951 in Kaapstad. Na haar debuut in 2008 met Noudat Slaapende Honde, publiceerde zij dit voorjaar de bundel Santenkraam.
Het centrale thema van deze bundel is de ontruiming van Skipskop, een voormalig vissersdorpje bij Arniston, dat voor de bouw van een militair oefenterrein in de jaren zeventig moest verdwijnen. Ronelda S. Kamfer geeft niet alleen de verjaagde bewoners van Skipskop een naam, zij refereert ook naar de geschiedenis van Zuid-Afrika. Ronelda S. Kamfer levert in haar poëzie geen directe kritiek op de aan de coloured people opgelegde beperkingen. Maar de lotgevallen van haar personages impliceren politiek gevoelige issues als uitsluiting, armoede, geweld en waanzin.
In het gedicht bericht van uitzetting onthult Jan van Riebeeck, spreekbuis van de VOC, de ware bedoelingen van de kolonisten:

we gaan een kasteel bouwen want ik ben immers een koning we gaan een fort bouwen om ons tegen uhm... eh… de vijand te beschermen mijn andere makkers uit het noorden hebben een fantastisch handeltje: koop een slaaf en verkracht gratis een slavin

In Klippenkust  introduceert de dichteres kleurrijke personages als Slimme Sara, Kindse Terence, Mooie Mitchy Mitchell, Malle Maria, ome Grotevis Visser:

                            de mensen
van Klippenkust
zien hoe ome Grotevis Visser
voor dag en dauw
op zijn veranda zit
zit en terugdenkt
denkt aan
denkt aan zijn vader denkt aan zijn moeder en denkt
aan een tijd dat de zee nog kon
praten en alle verhalen van de wereld
onder in het water
leefden hij denkt aan de stemmen in zijn aderen
ome Grotevis Visser denkt aan zijn mensen
aan de mensen van de santenkraam

Ronelda S. Kamfer verzamelde haar 41 gedichten niet in cycli, maar in ‘vervolggedichten’. Bij Klippenkust horen bijvoorbeeld 5 gedichten (p. 39, 71, 75, 85, 103), waarin de lotgevallen van bovengenoemde personages worden uitgewerkt. Op pagina 39 vraagt ome Grotevis Visser zich af of het de schuld is van zijn Indiase bloed, dat zijn voorgangers en hij elke keer weg moeten. Ook vertelt Jeppe zijn levensverhaal, beheerst door alcohol en drugs. Ronelda’s moeder Martha was slachtoffer van huiselijk geweld, vriend Shaun is een junkie.
Maar een verrukkelijk hoogtepunt vormen de ‘onderwatergedichten’, waarin Ronelda S. Kamfer een wereld oproept van gezonken schepen, vissen die zich als mensen gedragen en waarbij een koor van zeemeerminnen de gebeurtenissen van commentaar voorzien, zoals in een klassieke Griekse tragedie.
De poëzie van Ronelda S. Kamfer is fris, ongekunsteld, rauw en intelligent. De veelheid aan associaties, de wrange ironie, het understatement, de magische herhalingen en monologue intérieur-technieken suggereren het poëtisch reservoir van deze dichteres. Santenkraam is een tweetalige bundel. Op de linker pagina staat steeds de Afrikaanse versie, op de rechterpagina lezen we de Nederlandse vertaling. Het is beslist interessant om die te kunnen vergelijken. De bundel sluit af met een verklarende woordenlijst.

Santenkraam, Ronelda S. Kamfer, Uitgeverij Podium, Amsterdam, 2012, ISBN 978 90 5759 517 2

(Nicole Van Overstraeten)

Als de paradijsvogel

De cycli Als de paradijsvogel, Ginder, Flower Girl en Eindeloos verenigen de voorlopig laatste poëtische pennenvruchten van Gust Van Brussel en wat was zijn bedoeling met dit werk? Bij het verschijnen van De Gouden Vogel beloofde ik de gedichten, die ik na deze bundel nog zou schrijven, eveneens uit te geven. Vandaar dat nu Als de paradijsvogel aangeboden wordt. Een honderdtal gedichten in vier bundels verdeeld. Mij ligt Ginder nauw aan het hart. Ik noemde die gedichten oorspronkelijk Voetpadgedichten en schreef ze in het rusthuis ’t Smeedeshof in Oud-Turnhout. Iedere dag liep ik van mijn flatje naar het kerkhof, waar de as van mijn lieve vrouw op me wacht. Gedurende de wandelingen heen en terug, droeg ik de indrukken mee die ik als oude rusthuisbewoner had en tikte die, eens in ’t Smeedeshof terug, in mijn laptop. Wie in dit verborgen leven van de vierde leeftijd verbleef om er de eenzaamheid als gezel te hebben, zal die gesloten wereld herkennen.
In dit werk vindt de lezer ongecompliceerde verzen; sterk gevoelsgeladen en pretentieloos. Het is alsof de auteur de balans opmaakt, hij getuigt wat in zijn leefwereld omgaat en brengt die observaties fijn in beeld. In zijn woorden liggen rust en aanvaarding. Hij wil opkomen en spreken voor de verzwegenen, hen beschermen voor de vergetelheid door hen als bijzondere mensen in poëzie vast te leggen. Van Brussel is een zeer humane dichter en dat siert hem. De ‘kleine’ drama’s van bijvoorbeeld de rustoordbewoners, herschikt hij tot serene nostalgie. In een soort parlando laat de auteur ons delen; hij openbaart zijn heldere geest en blijft meelopen, mee rapporteren. Hij ziet en legt vast. Hij wordt kroniekschrijver van een traag weg zeilende tijd.

Tegenover mij zit de zwijger
Hij krijgt extra cola omdat zijn suiker weer mis
zit
Als zijn neus druipt valt de slijm in zijn bord
Hij is bijna zo oud als zijn moeder
Toen ze stierf was ze zes jaar ouder
Hij zit haar op de hielen
Hij bleef bij haar omdat niemand voor haar
zorgde
Zij huilde bij ieder lepeltje
Omdat ze moest sterven
Of omdat ze de soep niet lustte

De rust is voor de anderen, voor diegenen die niet meer kunnen, die geen enkele keuze meer hebben. Van Brussel vertegenwoordigt hen en zijn poëtica verdedigt respect. De aspecten van het oud worden en het oud zijn liggen in dit werk veilig gecatalogeerd. Door ze te bundelen gaan ze gegarandeerd nog enkele levens mee en kunnen nieuwe generaties het werk blijvend appreciëren. In deze late dagen van de vroege winter roept de auteur zijn lotgenoten op om (nog) niet op te geven en nog zoveel als mogelijk dromen te vangen. Gust Van Brussel aanvaardt zijn toekomst, hij ontvangt zijn lot als een gentleman. Hij brengt alles in kaart en zijn gedichten nodigen uit. Ze beogen de finale vol optimisme af te wachten en daardoor vind ik dit werk vooral ook moedig en waardevol.

Als de paradijsvogel, Gust Van Brussel, eigen beheer, Antwerpen, 2012

(Frank Decerf)